Vluchtelingenwerk Vlaanderen met eindredactie van VIF-AgII
HvJ: asielaanvraag van tijdelijk beschermden mag niet automatisch worden opgeschort
In het kort
In het arrest van 1-10-2026 oordeelt het Hof van Justitie dat lidstaten de behandeling van verzoeken om internationale bescherming van begunstigden van tijdelijke bescherming, niet automatisch mogen opschorten tijdens de periode dat de tijdelijke bescherming van kracht is. Wanneer het hierbij objectief onmogelijk is om de uiterste beslissingstermijn van 21 maanden na te leven, mag de lidstaat de behandeling van sommige verzoeken tijdelijk uitstellen. Op dit moment is de tijdelijke bescherming van kracht tot 4-3-2028. De verzoeken om internationale bescherming (VIB) zijn in België bevroren voor begunstigden van tijdelijke bescherming op basis van artikel 51/9 van de Verblijfswet én in de praktijk ook voor Oekraïense onderdanen zonder tijdelijke bescherming. Een wijziging van de Belgische Verblijfswet en praktijk dringen zich op.
Tijdelijke beschermingsrichtlijn: automatische opschorting asielaanvragen verboden
Artikel 17 van de Tijdelijke Beschermingsrichtlijn (2001/55/EG) bepaalt dat:
- personen die tijdelijke bescherming genieten, te allen tijde een asielaanvraag kunnen indienen
- het onderzoek van een asielaanvraag die niet voor het einde van de periode van tijdelijke bescherming is behandeld, na het verstrijken van de periode wordt voltooid
De Nederlandse Raad van State vroeg het Hof of punt 2 kan worden geïnterpreteerd in die zin dat het toelaat om het VIB op te schorten gedurende de periode van tijdelijke bescherming.
Het Hof houdt rekening met de context en de beoogde doelstelling van de Tijdelijke Beschermingsrichtlijn. Deze richtlijn heeft niet als doel om tijdelijk beschermden van rechtswege uit te sluiten van internationale bescherming. De Uniewetgever heeft juist beoogd dat deze procedure kan worden gevoerd tijdens de periode waarin tijdelijke bescherming van toepassing is. Dit vloeit voort uit het volgende.
- Artikel 3, lid 1 preciseert dat tijdelijke bescherming niet vooroploopt op de erkenning als vluchteling.
- Artikel 19, lid 2 bepaalt dat een persoon die een negatieve beslissing krijgt in de asielprocedure, kan terugvallen op tijdelijke bescherming zolang deze van kracht is.
- Artikel 17, lid 2 voorziet niet impliciet de mogelijkheid om het VIB op te schorten.
Lidstaten mogen behandelingstermijn overschrijden wanneer dit absoluut noodzakelijk is
Naast het feit dat tijdelijk beschermden daadwerkelijk de mogelijkheid moeten hebben om na een passend onderzoek internationale bescherming te verkrijgen, erkent het Hof dat de tijdelijke bescherming bedoeld is om te voorkomen dat het asielsysteem wordt overbelast. Het Hof maakt hier een afweging.
Enerzijds: De Uniewetgever heeft naar behoren rekening gehouden met de administratieve moeilijkheden die een groot aantal verzoeken kunnen veroorzaken. Zo laat artikel 31 van de (toenmalige) Procedurerichtlijn toe om de beslissing uit te stellen wanneer de situatie in het land van herkomst onzeker is en naar verwacht tijdelijk. Daarnaast zou een aanhoudende algemene en automatische schorsing het omgekeerde effect kunnen hebben: namelijk dat een groot aantal verzoeken zal worden ingediend op het moment dat tijdelijke bescherming verstrijkt.
Anderzijds kan niet volledig worden uitgesloten dat een aanzienlijk aantal asielaanvragen ingediend binnen een korte tijdspanne door begunstigden van tijdelijke bescherming de lidstaat ertoe kan brengen om maatregelen te nemen zoals de gefaseerde behandeling van verzoeken en het vaststellen van prioriteiten.
Overschrijding behandelingstermijn mag niet voortvloeien uit algemene en automatische opschorting
De toegestane maximale behandelingstermijn van 21 maanden mag echter alleen worden overschreden wanneer:
- deze niet voortvloeit uit een besluit tot algemene en automatische opschorting van de behandeling van verzoeken om internationale bescherming en
- dit enkel het resultaat is van maatregelen die noodzakelijk zijn om het hoofd te bieden aan de objectieve onmogelijkheid om de termijnen in acht te nemen, met oog op de overbelasting van het asielstelsel.
Wat met personen zonder tijdelijke bescherming?
Het arrest spreekt zich niet uit over Oekraïense onderdanen zonder tijdelijke bescherming. Deze groep is vaak aangewezen op de procedure internationale bescherming. Het gaat om:
- personen die Oekraïne hadden verlaten voor 24 februari 2022
- personen die niet kunnen bewijzen dat ze in Oekraïne waren op moment van de uitbraak van de oorlog (waaronder personen uit bezette gebieden)
- personen die militaire verplichtingen hebben
Nu vaststaat dat artikel 17 (2) van de Tijdelijke Beschermingsrichtlijn niet toestaat om asielverzoeken van begunstigden automatisch en langdurig op te schorten, is het niet duidelijk op welke basis de verzoeken van personen zonder tijdelijke bescherming wél nog opgeschort zouden blijven. Ook vóór dit arrest, was er geen juridische basis voorhanden om hun verzoeken automatisch op te schorten voor langer dan de toegestane termijn:
- artikel 17 (2) van de Tijdelijke Beschermingsrichtlijn heeft betrekking op personen die tijdelijke bescherming genieten
- ook artikel 51/9 Vw verwijst over de opschorting alleen naar ‘het onderzoek van een vreemdeling die tijdelijke bescherming geniet’.
- Artikel 19 (1) van de Tijdelijke Beschermingsrichtlijn doet hier geen afbreuk aan, dit bepaalt namelijk alleen dat de lidstaten kunnen bepalen dat de behandeling van de aanvraag voor asiel niet kan worden gecombineerd met de ‘gebruikmaking van tijdelijke bescherming’.
Toepassing in de praktijk
Het is nog onduidelijk hoe dit arrest zal worden toegepast in de Belgische praktijk. Verzoeken om internationale bescherming van tijdelijk beschermden mogen echter niet (langer) automatisch worden opgeschort. Dit betekent dat het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (CGVS), afhankelijk van ‘eventuele maatregelen die noodzakelijk zijn om een groot aantal verzoeken te behandelen’ zich zal moeten uitspreken over de beschermingsnood van Oekraïners.
De aanpassing van artikel 51/9 van de Verblijfswet en van de Belgische praktijk dringt zich op.