Hof van beroep Brussel - 2011/AR/1875 - 10-02-2015

Samenvatting

Over de ontvankelijkheid
 
Appellante meent dat geïntimeerde sub 1, een Franse organisatie, niet het vereiste belang vertoont, omdat volgens haar statuten haar werkdomein beperkt zou zijn tot het Franse grondgebied en zij bijgevolg niet kan optreden tegen een Belgische onderneming – met zetel op Belgisch grondgebied – betreffende feiten van discriminatie die zouden zijn gepleegd door een dergelijke onderneming bij het rekruteren van werknemers op Belgisch grondgebied. Het Hof van Beroep stelt echter dat uit de omschrijving van het statutair doel begrepen mag worden dat de activiteiten van geïntimeerde sub 1 zich niet beperken tot “nationale campagnes”, doch er ook sprake is van “iedere actie voeren”, “het lekenideaal verspreiden” alsmede “het hulp en steun bieden aan personen die het slachtoffer zijn van rassendiscriminatie”, zonder enige territoriale beperking. Bovendien heeft de vereniging tot doel het verspreiden en verdedigen van waarden die behoren tot de fundamentele waarden en rechten van de mens die als universeel gelden en niet gebonden zijn aan territoriale grenzen. Het Hof verwijst naar art. 3 VEU, artikel 6 VEU en overweging 19 uit de preambule bij Richtlijn 2000/43/EG. Deze overweging stelt dat “personen die op grond van ras of etnische afstamming zijn gediscrimineerd, over adequate mogelijkheden voor rechtsbescherming dienen te beschikken. Teneinde een hoger beschermingsniveau te verschaffen, dienen verenigingen of rechtspersonen de bevoegdheid te krijgen om, als de lidstaten daartoe besluiten, namens of ten behoeve van slachtoffers in een procedure het recht van verweer uit te oefenen, onverminderd de nationale procedureregels betreffende de vertegenwoordiging en verdediging in rechte”.
 
Ter uitvoering van deze Europese richtlijn werd de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden gewijzigd door de wet van 10 mei 2007. Artikel 32 van deze wet laat toe dat een belangenvereniging in rechte kan optreden zonder enige territoriale beperking binnen de Europese Unie. De geïntimeerde sub 1 voldoet aan de voorwaarden van dit artikel. Dienvolgens is zij gerechtigd om huidige procedure in te stellen in België. Tevens werd de eer en goede naam van geïntimeerde sub 1 aangetast en er is dan ook sprake van een rechtstreeks en persoonlijk belang in haren hoofde.
 
Ten gronde
 
Uittreksels uit mailverkeer van werknemers van appellante tonen aan dat de code “BBB” (Bleu, Blanc, Belge) werd gebruikt wanneer klanten geen allochtonen als uitzendkracht wensten. Dit is een racistische benadering en valt bijgevolg onder de toepassing van de cao van 7 mei 1996 betreffende de code van goede praktijken inzake de preventie van rassendiscriminatie en van het artikel 2bis van de Wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden. Uit de stukken kan echter niet besloten worden dat er een “algemeen geldend systeem” bestond. Het feit dat enkele leidinggevenden mogelijk op de hoogte waren van het gebruik van de code “BBB” in een specifiek aantal gevallen, betekent nog niet dat een vennootschap een ware politiek voert op het vlak van discriminatie van werknemers van allochtone afkomst. De verdachte houding van appellante, volstaat niet als bewijs van een stelselmatig, georganiseerd en opgelegd systeem dat als algemene politiek gold binnen de top van appellante. Het feit dat zich gelijkaardige feiten hebben voorgedaan in Frankrijk, dient niet ter zake, aangezien daar noodzakelijkerwijze ander personeel is tewerkgesteld dan in België. Er is dan ook geen persoonlijke fout bewezen in de zin van artikelen 1382 en 1383 BW.
 
Ondernemingen zijn aansprakelijk voor de fouten van hun aangestelden. Door het hanteren van de code “BBB” door minstens enkele werknemers, werd minstens artikel 2bis van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme en xenofobie ingegeven daden overtreden. Volgens dit artikel is de werkgever burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de boeten waartoe zijn aangestelde of lasthebbers zijn veroordeeld. De verhouding van ondergeschiktheid die het begrip aangestelde veronderstelt, bestaat zodra een persoon zijn gedrag en toezicht op de daden van een ander in feite kan uitoefenen. Opdat schade veroorzaakt zou zijn tijdens de bediening van de aangestelde, volstaat het dat de onrechtmatige en schadeverwekkende daad verricht werd tijdens de bediening en, ook al is het onrechtstreeks of occasioneel, er mee verband houdt. Het hanteren van de code “BBB” met een racistische connotatie door een aantal werknemers is een daad die verricht werd tijdens de bediening en er mee verband houdt. Voor dit foutief optreden vanwege haar werknemers dient appellante aansprakelijk gesteld te worden op grond van artikel 1384, lid 3 BW. Dit racistisch optreden heeft een morele en materiële schade toegebracht aan de geïntimeerden.