Hof van beroep Brussel - 2009/AR/2216 - 15-09-2011

Samenvatting

Het hof kan geen toepassing maken van artikel 12bis § 4, derde lid WBN om het beroep onontvankelijk te verklaren daar dit niet in de mogelijkheid voorziet voor de vreemdeling om zelf de beroepstermijn te doen beginnen lopen. Het beroep van de procureur des Konings van 11 augustus 2009 tegen het vonnis van 11 maart 2009 is dus niet onontvankelijk omwille van laattijdigheid. Artikel 12bis, § 4, derde lid WBN legt geen enkele termijn op aan de procureur des Konings waarbinnen hij moet overgaan tot kennisgeving. Deze bepaling werd door het Grondwettelijk Hof niet discriminerend bevonden . De raadman van de geïntimeerde heeft toegegeven dat hij een kopie heeft gekregen van de genomen beslissing zodat hij zijn cliënt hiervan kort na de uitspraak op de hoogte heeft kunnen stellen. Het blijkt niet dat de geïntimeerde de procureur in gebreke zou gesteld hebben om de bestreden beslissing te betekenen of dat hij zelf zou gewild hebben dat ze hem betekend zou worden.De periode van 5 maanden die het parket nam om hoger beroep in te stellen tegen de bestreden beslissing kan men niet als kort beschouwen maar blijft toch binnen de redelijke grenzen. Ter vergelijking, de procedure voor de eerste rechter duurde 18 maanden en die voor het Grondwettelijk Hof 12 maanden. Het beroep is dus ontvankelijk. Uit het rijksregister blijkt dat de geïntimeerde vanaf 3 februari 2000 gedurende een periode van 7 jaar ononderbroken attesten van immatriculatie kreeg. Op 22 februari 2007 kreeg hij een verblijfskaart van onbeperkte duur. Uit de memorie van toelichting van artikel Art. 12bis WBN blijkt dat voor de berekening van de vereiste duur van verblijf, het verblijf gedekt door een attest van immatriculatie of een bijlage 35 in aanmerking moet worden genomen. Het Hof van Cassatie stelt dat ‘de vreemdeling die het bewijs levert van een voorlopige verblijfsmachtiging of een toelating om voorlopig in het land te verblijven, zijn hoofdverblijfplaats als wettig in de zin van artikel 12bis, § 1, 3° WBN’. De eerste rechter heeft het negatief advies van de procureur des Konings dus terecht niet gegrond verklaard op dit punt. De eerste rechter heeft terecht gesteld dat de correctionele veroordeling van 7 maart 2002 over oude en geïsoleerde feiten gaat die dateren van 25 februari 2000 en dat mijnheer uitstel van de volledige gevangenisstraf en van de boete heeft gekregen en dat het uitstel niet is herroepen. Het wordt niet tegengesproken dat mijnheer de gerechtskosten heeft betaald en dat hij sindsdien geen nieuwe veroordeling heeft opgelopen. Het is dus terecht dat de eerste rechter geen gewichtige feiten, eigen aan de persoon zag die een belemmering zouden kunnen vormen voor het verkrijgen van de Belgische nationaliteit. Het beroep is niet gegrond.