Samenvatting
De bijdrage voorzien in artikel 6 van KB Cumul – 50% van het brutoloon - kan volgens de arbeidsrechtbank niet als onredelijk worden gezien in het licht van de huidige kosten voor levensonderhoud en het feit dat materiële opvang alle basisbehoeften dekt, inclusief medische kosten en sociale en psychologische begeleiding. In dit geval beschouwt de rechtbank een gemiddelde bijdrage van €1.343,55 per maand niet als onredelijk. Ze verplicht de verzoeker de bijdrage te betalen.
De arbeidsrechtbank oordeelt wel dat artikel 35/2 Opvangwet slechts toelaat om de materiële hulp te beëindigen wanneer een verzoeker financiële middelen verborgen houdt en daardoor – heden – ten onrechte aanspraak maakt op opvang. Wanneer in het verleden ten onrechte opvang werd genoten waarvoor geen bijdrage betaald werd, voorziet de wet enkel in een terugbetalingsverplichting ten aanzien van Fedasil.
Artikel 13 KB Cumul koppelt daarentegen automatisch de niet-betaling van de bijdrage aan de beëindiging van de opvang. Het biedt geen ruimte om rekening te houden met de actuele situatie van de verzoeker, het evenredigheidsbeginsel of de waarborg van een menswaardig bestaan. De arbeidsrechtbank acht artikel 13 daarom strijdig met de Opvangwet en laat het buiten toepassing op grond van artikel 159 Grondwet. De beslissing tot beperking van de opvang, die in dit geval gebaseerd was op het feit dat de verzoeker in het verleden inkomsten had genoten waarvoor geen bijdrage was betaald, wordt vernietigd.