Samenvatting
De zaak betreft een Syrische man van Armeens-christelijke afkomst die Griekenland naar Turkije wilde terugsturen op grond van de EU-Turkije-verklaring, nadat zijn asielverzoek was afgewezen omdat Turkije voor hem een "eerste land van asiel" of een "veilig derde land" zou zijn. Het EHRM onderzocht zijn klacht onder artikel 3 EVRM over het risico bij terugkeer niet verder, omdat hij intussen in Frankrijk als vluchteling was erkend. Het onderzocht wel artikel 13 EVRM iuncto artikel 3 EVRM, maar oordeelde dat dit niet was geschonden: zijn asielverzoek was op drie niveaus grondig en individueel onderzocht, en de Griekse autoriteiten mochten redelijkerwijs vertrouwen op de algemene Turkse garanties. Het EHRM stelde daarentegen wel een schending van artikel 3 EVRM vast wegens zijn detentie van één maand en negentien dagen in het politiebureau van Mytilini, dat niet geschikt was voor langdurig verblijf.
Feiten: uitzetting van Syrische asielzoeker van Griekenland naar Turkije onder de EU-Turkije-verklaring
De zaak ging over een Syrische man die door Griekenland naar Turkije zou worden teruggestuurd. Dat gebeurde op basis van de EU-Turkije-verklaring van 18 maart 2016, die bedoeld was om de irreguliere migratie via Turkije naar Europa te stoppen.
De man verklaarde dat hij Syrië in april 2015 was ontvlucht. Het land was in oorlog en hij liep als Armeense christen gevaar door Islamitische Staat. Via Libanon kwam hij in Turkije terecht, waar hij tijdelijke bescherming kreeg en ongeveer een jaar bleef. In mei 2016 hield de Griekse havenautoriteit van Mytilini hem op Lesbos aan, omdat hij het land irregulier was binnengekomen. Hij zei dat hij in Griekenland asiel wilde aanvragen. Tijdens zijn gehoor vertelde hij dat hij in Turkije zijn Armeense afkomst en zijn christelijke geloof had moeten verbergen. Hij voelde zich er niet veilig, omdat Armenië en Azerbeidzjan in oorlog waren en Turkije de kant van Azerbeidzjan koos.
Griekenland wees zijn asielverzoek af. De reden was dat Turkije voor hem al het "eerste land van asiel" was geweest, of anders een "veilig derde land" zou zijn. Zijn bezwaar en zijn beroep bij de rechter haalden niets uit. Ook zijn verzoek om het uitzettingsbesluit te vernietigen werd afgewezen.
Met een beroep op artikel 13 EVRM in samenhang met artikel 3 EVRM klaagde verzoeker over tekortkomingen in het onderzoek van zijn asielverzoek door de Griekse autoriteiten en in de verwijderingsprocedure. Hij klaagde daarnaast onder artikel 3 EVRM over het risico dat hij zou kunnen lopen bij terugkeer naar Turkije, waaronder het risico van ketenrefoulement, alsmede over de omstandigheden van zijn detentie in het politiebureau van Mytilini in afwachting van zijn uitzetting.
Geen schending artikel 3 EVRM voor uitzetting
De verzoeker was intussen naar Frankrijk verhuisd en had daar de vluchtelingenstatus gekregen. Het EHRM vond het daarom niet meer nodig deze klacht verder te onderzoeken.
Geen schending artikel 13 EVRM iuncto artikel 3 EVRM
Dat de klacht onder artikel 3 EVRM van de rol was geschrapt, betekende niet dat artikel 13 EVRM buiten toepassing bleef. De gestelde schending van artikel 13 EVRM had zich al voorgedaan voordat het uitzettingsrisico verdween. Het feit dat Frankrijk hem als vluchteling heeft erkend verandert dat niet. Zijn verklaringen over zijn vrees als Armeense christen in Turkije en de rapporten die hij overmaakte, leverden bovendien een verdedigbare klacht onder artikel 3 EVRM op. Griekenland moest hem dus een daadwerkelijk rechtsmiddel bieden.
Het EHRM sprak zich niet uit over de juridische status van de EU-Turkije-verklaring. Het stelde vast dat het asielverzoek op drie niveaus was onderzocht: door de Asieldienst, de Beroepscommissie en de rechter. Verzoeker was gehoord door opgeleid personeel, met een tolk, en had zijn relaas volledig kunnen doen. De standaardformuleringen in de eerste afwijzing wezen niet op een gebrek aan individuele beoordeling, want de latere beslissingen gingen wel op zijn persoonlijke situatie in. De autoriteiten onderzochten ambtshalve de situatie in Turkije aan de hand van een breed scala aan bronnen, en verzoeker had in de gerechtelijke fase rechtsbijstand en kreeg een gedetailleerd antwoord op zijn argumenten.
Wanneer terugkeer niet berust op ad hoc diplomatieke toezeggingen, maar op een gestructureerd samenwerkingskader tussen twee verdragsstaten met duidelijke en verifieerbare voorwaarden, moet de risicobeoordeling met die context rekening houden. De eis dat diplomatieke garanties specifiek zijn, geldt dan niet mechanisch: algemene garanties kunnen volstaan als ze een voldoende betrouwbare bescherming bieden, in de praktijk werken en niet door systemische gebreken worden ondermijnd. Garanties zijn op zichzelf echter nooit genoeg; hun praktische werking moeten ook altijd worden getoetst.
De Griekse autoriteiten hadden de Turkse garanties niet los beoordeeld, maar samen met statistieken en rapporten van onder meer UNHCR en European Council on Refugees and Exiles (ECRE). Drie brieven uit april en mei 2016 speelden eveneens een rol: van de Turkse ambassadeur bij de EU, van de Europese Commissie en van UNHCR. Daarin werd bevestigd dat teruggestuurde Syriërs in principe tijdelijke bescherming zouden krijgen en dat Turkije toezicht door de EU en UNHCR toeliet. Samen vormden die een samenhangend geheel van waarborgen waarop Griekenland redelijkerwijs mocht vertrouwen. Daarin verschilde de zaak van H.T. t. Duitsland en Griekenland, waar de regeling geen toegang tot een doeltreffende asielprocedure garandeerde.
Het EHRM oordeelde dat de asielprocedure voldeed aan de normen van het EVRM. Verzoeker beschikte in theorie en in de praktijk over een breed scala aan rechtsmiddelen, kon het vermoeden weerleggen dat Turkije voor hem een veilig derde land was, en kreeg een individuele beoordeling. De waarborgen konden hem beschermen tegen willekeurige terugzending naar Turkije en tegen een kettingrefoulement naar Syrië.
Schending van artikel 3 EVRM wat betreft de detentie
Het EHRM heeft al vaak geoordeeld dat detentie in Griekse politiebureaus in strijd is met artikel 3 EVRM. Dat komt deels door concrete gebreken, zoals overbevolking, geen buitenruimte, slechte hygiëne en slecht voedsel, en deels door de aard van politiebureaus zelf: ze zijn alleen bedoeld voor kort verblijf. Detentie van één tot drie maanden op zo'n plek is daarom op zichzelf al een schending. Verzoeker zat één maand en negentien dagen vast in het politiebureau van Mytilini, dat niet was ingericht op langdurige detentie. Het EHRM stelde een schending van artikel 3 EVRM vast.