Europees Hof voor de Rechten van de Mens - 37336/23 - 21-05-2026

Samenvatting

Een asielzoeker die Fedasil uit het opvangnetwerk had gesloten, verkreeg in mei 2023 een vonnis van de arbeidsrechtbank dat Fedasil verplichtte hem op te vangen. Omdat hij in België op straat zou leven, vroeg en kreeg hij in oktober 2023 een voorlopige maatregel van het EHRM. De Belgische regering toonde echter aan dat hij al sinds mei 2023 in Nederland werd opgevangen, wat hij niet betwistte en nooit had rechtgezet. Het EHRM oordeelde dat bewust onjuiste informatie in een verzoek om een voorlopige maatregel misbruik van het klachtrecht kan vormen, en verklaarde het verzoekschrift op 21 mei 2026 unaniem niet-ontvankelijk.

Feiten: misleidende informatie bij verzoek om voorlopige maatregel

Verzoeker diende op 9 december 2020 een verzoek om internationale bescherming in België in. Na meerdere disciplinaire overplaatsingen en drie tijdelijke uitsluitingen sloot Fedasil hem op 18 augustus 2022 definitief uit van het opvangnetwerk. De Franstalige arbeidsrechtbank te Brussel vernietigde die beslissing bij vonnis van 8 mei 2023 en veroordeelde Fedasil, op straffe van een dwangsom van 100 euro, om hem te huisvesten in een centrum dat aangepast is aan zijn psychische stoornissen en hem materiële hulp te verstrekken. Het vonnis werd op 24 mei 2023 betekend en een maand later definitief. Volgens verzoeker werd het niet uitgevoerd. Hij voerde bij het EHRM een schending aan van artikel 3 EVRM en van artikel 6 § 1 in samenhang met artikel 13 EVRM.

Op 13 oktober 2023 vroeg verzoeker een voorlopige maatregel (artikel 39 van het Reglement), omdat hij in België op straat zou leven, in parken en kraakpanden, zonder water of elektriciteit. Het EHRM kende die op 18 oktober 2023 toe. In zijn verzoekschriftformulier van 20 november 2023 en via zijn vertegenwoordiger op 12 februari 2024 herhaalde hij dat hij nog steeds op straat leefde. De Belgische regering toonde echter aan dat hij op 18 mei 2023 in Nederland asiel had aangevraagd, daar sinds 19 mei 2023 werd opgevangen en dat Nederland op 8 januari 2024 verantwoordelijk was geworden voor zijn asielverzoek. Verzoeker betwistte dat niet: hij bevestigde dat hij België heeft verlaten voor Nederland omdat hij had horen zeggen dat het mogelijk was in dat land te worden gehuisvest. Hij zegt daarin "een kans [te hebben] gezien om een einde te maken aan zijn dagelijkse moeilijkheden om zich te voeden en onderdak te vinden", maar hij was van plan naar België terug te keren zodra hij door Fedasil zou worden uitgenodigd voor een gesprek over zijn verzoek om internationale bescherming. Verzoeker benadrukt dat hem door de Belgische autoriteiten geen beslissing is betekend die zijn asielprocedure beëindigt en dat Fedasil nooit heeft aangevoerd dat hij zijn recht op huisvesting zou hebben verloren door het instellen van een asielprocedure in een andere Staat. 

Verzoekschrift niet-ontvankelijk: misbruik van procedure voor het EHRM

Het EHRM herinnert eraan dat in beginsel elk gedrag van een verzoeker dat kennelijk in strijd is met het doel van het klachtrecht en dat de goede werking van het EHRM of het goede verloop van de procedure voor het EHRM belemmert, als misbruik kan worden aangemerkt in de zin van artikel 35 EVRM.

Een verzoekschrift kan met name als misbruik worden aangemerkt wanneer het opzettelijk op verzonnen feiten berust. Onvolledige en daardoor misleidende informatie kan eveneens neerkomen op misbruik van het individuele klachtrecht, in het bijzonder wanneer zij de kern van de zaak betreft en de verzoeker niet afdoende uitlegt waarom hij de relevante informatie niet heeft bekendgemaakt. Hetzelfde geldt wanneer zich in de loop van de procedure voor het EHRM zich belangrijke nieuwe ontwikkelingen voordoen en de verzoeker, ondanks de uitdrukkelijke verplichting die krachtens artikel 47 § 7 van het Reglement op hem rust, het EHRM daarvan niet op de hoogte brengt, waardoor hij het EHRM belet met volledige kennis van zaken over de zaak te oordelen. Ook in dergelijke gevallen moet echter steeds met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat de betrokkene de bedoeling had het EHRM te misleiden.

Het EHRM onderzocht vervolgens ambtshalve of er sprake was van misbruik van het klachtrecht (artikel 35 § 3 a) EVRM). Toen verzoeker de voorlopige maatregel vroeg, verbleef hij al bijna vijf maanden in de Nederlandse opvang; zijn informatie was dus in strijd met de werkelijkheid en van beslissende invloed op de beoordeling van het verzoek. Het EHRM oordeelde dat bewust onjuiste informatie in een verzoek om een voorlopige maatregel evengoed misbruik kan vormen als in een verzoekschriftformulier. Verzoeker zette de informatie bovendien nooit recht, maar herhaalde ze tweemaal. Het EHRM concludeerde dat hij bewust had geprobeerd het te misleiden.

Het EHRM benadrukte de plicht van verzoekers om relevante informatie uit eigen beweging mee te delen en de plicht van advocaten om loyaal en constructief samen te werken en geen verzoeken op misleidende informatie te baseren. Het verklaarde het verzoekschrift op 21 mei 2026 unaniem niet-ontvankelijk wegens misbruik. Over de grond van de klachten sprak het zich dus niet uit.