Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 333.400 - 29-09-2025

Samenvatting

Nazicht van het administratief dossier leert dat zich daarin de raadplegingen van de DOLSIS-databank zitten alsook de door de verzoekende partij zelf overgemaakte loonfiches en interimcontracten.

Verzoekende partij betoogt dan wel dat zij tussen 14 en 16 maart 2025 slechts 20u heeft gewerkt waartoe zij stuk 3 voegt, doch zij kan hiermee niet overtuigen. Immers wordt in dat stuk louter meegedeeld door het interimkantoor dat zich een fout heeft voorgedaan bij de encodage van de gepresteerde uren in de periode 24 februari 2025 tot 9 maart 2025 waarbij gesteld wordt dat verkeerdelijk in week 9 2,5u teveel werd vermeld alsook in week 10 9,5u teveel werd vermeld. Zoals de verwerende partij evenwel stelt heeft verzoekende partij in de week van 14 tot 16 maart 2025 24u op weekbasis gewerkt, hetgeen strookt met de gegevens uit de DOLSIS-databank (stuk 16 van het administratief dossier). Het gegeven dat er zich fouten hebben voorgedaan bij de encodage van gepresteerde uren in de weken voorafgaand aan de week van 14 tot 16 maart doet hieraan geen afbreuk.

De Raad kan de verzoekende partij evenwel wel volgen in haar betoog dat louter op grond van de voorgelegde interimcontracten besluiten dat zij systematisch de tewerkstellingsgrens van 20u per week overschrijdt niet correct is. Het is immers niet omdat men een interimcontract heeft ondertekend waarin vermeld wordt dat de reële wekelijkse arbeidsduur 24u is dit ook betekent dat men in die week – het gaat doorgaans om dagcontracten die verzoekende partij voorlegt – ook effectief 24u gepresteerd heeft. De Raad wijst erop dat het aan de verwerende partij toekomt concreet aan te tonen dat verzoekende partij buiten de schoolvakanties effectief meer dan 20u per week werkt. Uit een eenmalige vaststelling waaruit dergelijke overschrijding blijkt en de voor het overige vage verwijzing naar het gegeven dat in de voorgelegde interimcontracten als vermelding reële arbeidsduur van 24u per week is opgenomen zonder dat verwerende partij effectief duidt wanneer verzoekende partij de arbeidsduur van 20u per week effectief overschreden heeft, kan niet blijken dat verwerende partij een correct onderzoek heeft gedaan naar de feitelijkheden die de zaak van verzoekende partij kenmerken en dit conform artikel 61/1/5 van de Vreemdelingenwet dat bepaalt dat de verwerende partij dient rekening te houden met de specifieke omstandigheden van elk geval en zij het evenredigheidsbeginsel respecteert. Het komt ook niet aan de Raad toe om alle voorgelegde gegevens van DOLSIS-databank uit te pluizen en te gaan distilleren in welke weken buiten de schoolvakanties verzoekende partij effectief de 20u per week-grens heeft overschreden.