Samenvatting
Aangezien artikel 61/7 van de Vreemdelingenwet richtlijnconform moet worden toegepast, volgt uit hethierboven geciteerd arrest van het Hof van Justitie dat de loutere vaststelling dat de verzoekende partij geen eigen inkomsten heeft, de weigeringsbeslissing niet kan schragen.
De gemachtigde heeft zich in casu weliswaar niet beperkt tot de vaststelling dat de verzoekende partij niet beschikt over eigen bestaansmiddelen, doch tevens rekening gehouden met het gegeven dat de verzoekende partij ook inkomensbewijzen van haar zoon heeft voorgelegd, met name een arbeidscontract en loonfiches. De gemachtigde oordeelde dat uit de voorgelegde stukken blijkt dat de zoon van de verzoekende partij zelf reeds zes kinderen ten laste heeft, om vervolgens te besluiten dat “de kans dat betrokkene ten laste zal vallen van de openbare overheden (…) vrij groot (is)”.
Uit de motivering van de eerste bestreden beslissing blijkt niet dat de gemachtigde betwist dat de inkomsten van de zoon van de verzoekende partij “vast en regelmatig” zouden zijn. De gemachtigde blijkt veeleer van oordeel te zijn dat deze inkomsten niet voldoende zijn om niet enkel het eigen gezin van de zoon te onderhouden — bestaande uit zes kinderen en een echtgenote — maar tevens de verzoekende partij ten laste te nemen. Deze beoordeling is echter uitsluitend gestoeld op de omvang van het gezin van de zoon van de verzoekende partij en getuigt niet van enige concrete beoordeling van de situatie van de verzoekende partij en haar familieleden. Noch uit de bestreden beslissing, noch uit de stukken vervat in het administratief dossier blijkt dat de gemachtigde in concreto onderzocht heeft welke middelen de verzoekende partij, haar zoon, en diens gezin nodig hebben om in hun behoeften te voorzien. Het komt nochtans aan de gemachtigde toe om de individuele situatie van de verzoekende partij in haar geheel concreet te analyseren, en te onderbouwen of haar inkomsten al dan niet voldoende zijn en al dan niet een zekere bestendigheid en continuïteit vertonen, zodat de verzoekende partij niet ten laste komt van het gastland (HvJ 3 oktober 2019, C-302/18, X. t. Belgische Staat, punt 42).
Nu de loutere vaststelling dat de verzoekende partij geen eigen inkomsten heeft, de weigeringsbeslissing niet kan schragen, en het motief dat de zoon van de verzoekende partij reeds zes kinderen heeft geenszins als afdoende kan bestempeld worden, dient besloten te worden dat de eerste bestreden beslissing niet gestoeld is op voldoende draagkrachtige motieven.
Een schending van de formele motiveringsplicht in het licht van artikel 61/7 van de Vreemdelingenwet wordt aangetoond.