Samenvatting
Uit de bestreden beslissing blijkt dat de lokale verankering en het langdurig verblijf van verzoeker in België niet worden weerlegt en de elementen van integratie van verzoeker in België niet worden betwist. Verweerder meent evenwel dat de integratie van verzoeker onmogelijk een grond tot regularisatie kan vormen. Verzoeker is zelf verantwoordelijk voor deze situatie, hij zou sinds 2002 in België verblijven, hij heeft echter geen enkele verblijfsaanvraag ingediend om tijdens die periode zijn verblijf te wettigen, hij heeft zich aldus bewust genesteld in illegaal verblijf en het feit dat hij al nu geïntegreerd zou zijn, is louter het gevolg van zijn eigen houding, aldus de bestreden beslissing.
De Raad betwist niet dat verweerder bij de beoordeling van de aanvragen om verblijfsmachtiging die ingediend worden met toepassing van artikel 9bis van de vreemdelingenwet beschikt over een ruime appreciatiebevoegdheid.
De keuze die een bestuur in de uitoefening van een discretionaire bevoegdheid maakt, schendt slechts het redelijkheidsbeginsel, waarvan verzoeker de schending aanvoert, wanneer men op zicht van de opgegeven motieven zich tevergeefs afvraagt hoe het bestuur tot het maken van die keuze is kunnen komen. Met andere woorden, om het redelijkheidsbeginsel geschonden te kunnen noemen, moet men voor een beslissing staan waarvan men ook na lectuur ervan ternauwernood kan geloven dat ze werkelijk genomen is.
Artikel 9bis van de vreemdelingenwet bevat geen criteria die bepalen waaraan de aanvraag om machtiging tot verblijf moet voldoen om gegrond te worden verklaard noch criteria die ertoe leiden de aanvraag ongegrond te verklaren. Door in casu de aangevoerde elementen inzake de maatschappelijke integratie van verzoeker niet te betwisten doch te oordelen en te motiveren dat deze elementen onmogelijk een grond zijn om een verblijfsmachtiging toe te kennen omdat verzoeker voorheen geen enkele verblijfsaanvraag heeft ingediend, schendt verweerder artikel 9bis van de vreemdelingenwet. Nergens in artikel 9bis van de vreemdelingenwet kan immers worden gelezen dat een vreemdeling die een aanvraag op grond van deze wetsbepaling indient, tevoren reeds een verblijfsaanvraag moet hebben ingediend opdat zijn integratie tijdens illegaal verblijf kan uitmonden in een machtiging tot verblijf. Er anders over oordelen zou erop neerkomen dat de Raad toelaat dat bindende voorwaarden aan artikel 9bis van de vreemdelingenwet worden toegevoegd, wat hij niet vermag te doen. Bovendien verplicht verweerder met deze handelswijze de vreemdeling om opnieuw een aanvraag om machtiging tot verblijf in te dienen, nu hij wel een voorafgaande verblijfsaanvraag heeft ingediend alvorens de aanvraag om machtiging tot verblijf in te dienen.
Tevens merkt de Raad op dat een aanvraag om verblijfsmachtiging op grond van artikel 9bis van de vreemdelingenwet om humanitaire redenen per definitie vreemdelingen betreft die op illegale wijze in het Rijk verblijven, wat het gevolg is van hun eigen houding en keuzes. De gemachtigde kan dan ook niet op redelijke wijze elementen die wijzen op integratie, de lokale verankering, niet aanvaarden omdat hij meent dat verzoeker ‘zich aldus bewust genesteld (heeft) in illegaal verblijf en het feit dat hij al nu geïntegreerd zou zijn (…) louter het gevolg (is) van zijn eigen houding.’