EHRM: België schendt recht op effectief beroep in asielopvangcrisis

In het arrest Camara tegen België oordeelt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) unaniem dat er sprake is van een schending van artikel 6 (recht op een eerlijk proces) van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM). Een verzoeker om internationale bescherming (VIB) kreeg tussen juli en november 2022 in België geen opvang. Nochtans had hij een beslissing van de Franstalige Arbeidsrechtbank van Brussel waarbij deze de Belgische Staat had bevolen hem materiële bijstand te verlenen. Het EHRM merkt op dat de uitvoerbaarheid van de beschikking vereist dat de Staat deze op eigen initiatief overeenkomstig het nationale recht uitvoert. De Staat voerde dit bevel niet spontaan uit, maar pas nadat het EHRM op 31 oktober 2022 een voorlopige maatregel had toegewezen.

Het EHRM neemt hierbij in overweging dat de omstandigheden van deze zaak niet op zichzelf staan. Het EHRM schrijft over een systematisch verzuim van de Belgische autoriteiten om definitieve rechterlijke beslissingen betreffende de opvang van verzoekers om IB ten uitvoer te leggen. Het EHRM is zich bewust van de moeilijke situatie waarin de Belgische staat zich bevindt. Toch beschouwt het de tijd die de Belgische autoriteiten nodig hadden om een rechterlijk bevel uit te voeren als onredelijk. Volgens het Hof overbelast deze systematische tekortkoming de werking van een nationale rechterlijke instantie en van het Hof zelf. Het Hof merkt op dat er geen sprake is van een "loutere" vertraging van de kant van de Belgische autoriteiten, maar eerder van een duidelijke weigering om gevolg te geven aan de bevelen van de nationale rechter. Hierdoor doet de Belgische staat afbreuk aan de essentie van artikel 6 van het EVRM.

Ondanks definitieve veroordeling 3 maanden geen opvangplaats

Een Guinese man diende op 15 juli 2022 een verzoek om IB in. Fedasil weigerde hem een opvangplaats te geven. Op 20 juli 2022 diende verzoeker een eenzijdige verzoekschrift in bij de Brusselse Franstalige arbeidsrechtbank. Op 22 juli veroordeelde de arbeidsrechtbank Fedasil tot het verlenen van opvang op straffe van een dwangsom. Dit veroordeling werd op 29 augustus 2022 definitief.

Op 20 oktober 2022 diende de VIB bij het EHRM een verzoek om voorlopige maatregelen in. Op 31 oktober 2022 gaf het Hof de gevraagde maatregel voor de duur van de procedure. Op 4 november 2022 kreeg de VIB een opvangplaats in het netwerk van Fedasil. Tegenover het EHRM legt verzoeker de volgende grieven:

  • Hij heeft gedurende meerdere maanden in onmenselijke en vernederende omstandigheden moeten leven in strijd met artikel 3 van het EVRM.
  • Met een beroep op artikel 6, lid 1, van het EVRM beklaagt hij zich over het feit dat de beslissing van de Arbeidsrechtbank niet ten uitvoer was gelegd.
  • Op grond van artikel 8 juncto artikel 13 van het Verdrag stelde hij dat zijn recht op eerbiediging van zijn privéleven was geschonden en dat hij niet over een doeltreffend rechtsmiddel beschikte om zich daarover te beklagen.

Belgische Staat schendt artikel 6 EVRM door systematische weigering rechterlijke beslissingen uit te voeren

Het Hof merkt op dat de beschikking van de Arbeidsrechtbank te Brussel op 29 augustus 2022 definitief werd. Deze beschikking is pas op 4 november 2022 ten uitvoer gelegd. Nochtans vereist de beschikking dat de staat deze op eigen initiatief en zo snel mogelijk uitvoert. De staat voerde de beschikking pas uit nadat het EHRM een voorlopige maatregel had toegewezen.

Het EHRM licht hierop het belang van artikel 6 EVRM toe. Een van de fundamentele aspecten van de rechtsstaat is het beginsel van rechtszekerheid. Dit vereist dat wanneer de rechter een geschil definitief heeft beslist, zijn uitspraak niet in twijfel mag worden getrokken. Het Hof wijst herhaaldelijk op de bijzondere rol die de rechterlijke macht in de samenleving speelt: als hoeder van het recht, een fundamentele waarde in een rechtsstaat, moet zij het vertrouwen van eenieder genieten om haar taak te kunnen vervullen.

Volgens vaste rechtspraak zou het recht op een effectief beroep fictief zijn als een definitieve en bindende rechterlijke beslissing buiten werking blijft ten nadele van een partij. De uitvoering van een rechterlijke beslissing, ongeacht door welke rechterlijke instantie, vormt een integraal deel van de "procedure" in de zin van artikel 6 EVRM. Anders zouden de waarborgen van artikel 6, lid 1 EVRM elk praktisch effect worden ontnomen. Bovendien herhaalt het Hof zijn vaste rechtspraak dat een overheidsinstantie zich niet mag beroepen op een gebrek aan geld of andere middelen als reden om een schuld niet in te lossen.

Het Hof merkt op dat de omstandigheden van de onderhavige zaak niet uniek zijn. Er is sprake van een systematisch verzuim van de Belgische autoriteiten. Ze voert definitieve rechterlijke beslissingen betreffende de opvang van VIB systematisch niet uit. Het EHRM erkent de moeilijke situatie waarin de Belgische staat zicht bevindt. Toch beschouwt het de tijd die de Belgische autoriteiten nodig hadden om een rechterlijk bevel uit te voeren als onredelijk. Het Hof voegt daaraan toe dat deze systematische tekortkoming de werking van een nationale rechtbank en van het Hof zelf zwaar belast. Het Hof besluit dat er geen sprake is van een "loutere" vertraging van de kant van de Belgische autoriteiten, maar eerder van een duidelijke weigering om gevolg te geven aan de bevelen van de nationale rechter. Hierdoor doet de Belgische staat afbreuk aan de essentie van het door artikel 6 EVRM.

Bericht van Vluchtelingenwerk Vlaanderen