Oprichting centrale autoriteit nationaliteit en wijzigingen artikel 10 WBN: kinderen geboren in België zonder nationaliteit zijn Belg

Op 31 december 2022 traden een aantal wijzigingen aan het Wetboek van de Belgische nationaliteit (WBN) in werking. Vooral artikel 10 WBN wordt inhoudelijk en vormelijk gewijzigd. Zo staat het nu wettelijk vast dat er geen erkenning als staatloze nodig is om de Belgische nationaliteit toe te kennen aan een kind dat in België geboren wordt zonder nationaliteit.

Daarnaast wordt een Centrale Autoriteit inzake nationaliteit opgericht binnen de FOD Justitie. Die kan niet-bindende adviezen geven bij twijfel over nationaliteitsverwerving. Maar voor artikel 10 WBN wordt die adviesbevoegdheid bij de parketten gelegd.

1. Artikel 10 WBN

Kind geboren in België zonder nationaliteit, is Belg

Artikel 10 WBN voorziet dat een kind dat geboren wordt in België en dat anders staatloos zou zijn, Belg is. De wet van 6 december 2022 vervangt het woord ‘staatloos’ door de zinsnede ‘geen andere nationaliteit bezit’: het kind dat in België geboren wordt en dat geen andere nationaliteit bezit op gelijk welk ogenblik voor de leeftijd van 18 jaar, is Belg.

Zo wordt duidelijk gemaakt dat de familierechtbank het kind niet eerst als staatloze moet erkennen opdat de ambtenaar van de burgerlijke stand art. 10 WBN toepast. Dit was altijd al de bedoeling van de wetgever, maar in de praktijk vroeg de ambtenaar van de burgerlijke stand soms toch een erkenning als staatloze.

Wijzigingen procedure

  • De ambtenaar van burgerlijke stand van de geboorteplaats van het kind is bevoegd. Tot deze wetswijziging was het niet duidelijk welke ambtenaar bevoegd was voor de toepassing van artikel 10 WBN: de ambtenaar van de plaats waar het kind geboren is, waar het eventueel ingeschreven is in het Rijksregister, waar de ouders eventueel ingeschreven zijn in het Rijksregister,…

  • De ouder of voogd van het kind moet alle nuttige stukken overhandigen aan de ambtenaar van de burgerlijke stand.

  • Bij twijfel over het ontbreken van een nationaliteit van het kind in het kader van artikel 10 WBN heeft de ambtenaar de mogelijkheid om advies te vragen aan de procureur des Konings(het parket). Die moet op korte termijn advies verlenen. Het advies is niet bindend. Dit is een afwijking op de algemene adviesbevoegdheid van de ‘Centrale Autoriteit inzake nationaliteit’ binnen de dienst nationaliteit van de FOD Justitie (zie onder). De wetgever besliste om deze bevoegdheid niet bij de Centrale Autoriteit te leggen.

    • Opmerking AgII: Het is aan de ambtenaar van de burgerlijke stand om te bepalen of het kind een nationaliteit heeft en zo ja, welke. De ambtenaar doet dat door de nationaliteitswetgevingen te onderzoeken van o.a. de landen van nationaliteit van de ouders. Meestal levert dat geen problemen op. Tot nu toe werd in geval van twijfel advies gevraagd aan de dienst nationaliteit van de FOD Justitie. Die nam dan een standpunt in dat door elke ambtenaar kon toegepast worden. Het is opvallend dat deze praktijk doorbroken wordt en niet de nieuw opgerichte Centrale Autoriteit bevoegd wordt, maar wel de parketten. Dit zal in de praktijk zorgen voor regionale verschillen, bijvoorbeeld in het geval van Palestijnse nationaliteitskwesties, en komt de rechtszekerheid niet ten goede.

2. Oprichting Centrale Autoriteit voor advies

Er wordt een Centrale Autoriteit inzake nationaliteit opgericht binnen de FOD Justitie. Deze Centrale Autoriteit geeft niet-bindende adviezen wanneer er twijfel is over de toepassing van de bepalingen van het WBN.

De ambtenaar van de burgerlijke stand voegt bij de adviesvraag alle documentatie waarover die beschikt. De Centrale Autoriteit kan bijkomende stukken opvragen. Binnen de zes maanden nadat alle nodige stukken ontvangen werden, geeft de Centrale Autoriteit een advies. De termijn van zes maanden kan verlengd worden met zes maanden.

Deze adviesbevoegdheid is niet nieuw: tot nu toe gaf dienst Nationaliteit van de FOD Justitie in de praktijk al niet-bindende adviezen. De wetgever verankert nu dus die praktijk in het WBN.

Wanneer de adviesbevoegdheid is toegekend aan de procureur des Konings, zoals in artikel 10 WBN, mag de Centrale Autoriteit geen advies geven. Zoals hierboven geschreven, is het erg opvallend dat de parketten adviesbevoegdheid krijgen bij twijfel in het kader van artikel 10 WBN.

3. Richtlijnen voor advies door college van procureurs-generaal

Voor deze wetswijziging was de minister van Justitie bevoegd om aan de parketten richtlijnen te geven voor advies in het kader van het WBN. Artikel 24bis WBN geeft vanaf nu deze bevoegdheid aan het college van procureurs-generaal. Deze richtlijnen van het college zijn bindend voor de parketten. Deze kunnen dus gaan zowel over de bindende adviezen die het parket geeft na een nationaliteitsverklaring, als over de niet-bindende adviezen die ambtenaren van de burgerlijke stand aan het parket kunnen vragen bij twijfel over de toepassing van art. 10 WBN.