Raad van State: voordeel van de twijfel kan enkel worden toegekend aan asielzoeker als algemene geloofwaardigheid vaststaat

In arrest nr. 247 140 van 25 februari 2020 vernietigt de Raad van State (RvS) een arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV) waarin de RvV de subsidiaire beschermingsstatus toekende aan een Syrische vrouw. De RvV gunde haar, in tegenstelling tot het CGVS, het voordeel van de twijfel omwille van haar nationaliteit en omdat er geen begin van bewijs was van een andere nationaliteit, of een verblijfsrecht of beschermingsstatus elders. Maar de RvV bevestigde dat sommige elementen van de aanvraag ongeloofwaardig waren. In dat geval kan het voordeel van de twijfel niet worden toegepast.

Feiten en oordelen van asielinstanties

Een Syrische vrouw deed in september 2015 een verzoek om internationale bescherming (IB). In februari 2018 kreeg ze een weigeringsbeslissing van het CGVS. Na beroep bij de RvV verkreeg ze de subsidiaire beschermingsstatus.

De RvV volgde het CGVS dat ze geen zicht gaf op het tijdstip waarop ze Syrië verliet, noch op haar profiel, burgerlijke staat en reisweg naar Europa, en dat zij zelf bekende dat ze documenten voorgelegd heeft die ze op frauduleuze wijze verkreeg. Toch vond de RvV dat in deze zaak een ruim voordeel van de twijfel moest gelden, gezien haar Syrische nationaliteit niet ter discussie staat en er geen begin van bewijs was waaruit zou blijken dat zij nog een andere nationaliteit of elders een verblijfsrecht of beschermingsstatus heeft.

Het CGVS ging in beroep tegen deze beslissing omdat artikel 48/6 van de Verblijfswet enkel een toekenning van het voordeel van de twijfel toelaat als de algemene geloofwaardigheid van de verzoeker vaststaat. Volgens het CGVS kan het voordeel van de twijfel niet worden toegekend wanneer maar één deelaspect van het asielrelaas geloofwaardig is en er tegelijk wordt bevestigd dat alle andere elementen dat niet zijn.

Voor de RvS lichtte de vrouw haar afkomst, situatie en vluchtroute uitgebreid toe, maar volgens het CGVS mag de RvS als cassatierechter geen oordeel vellen over deze feitelijke uiteenzetting.

Beoordeling door de RvS

Artikel 48/6 van de Verblijfswet bepaalt dat een verzoeker om IB alle nodige elementen ter staving van zijn verzoek zo spoedig mogelijk moet aanbrengen. Deze elementen omvatten onder meer de verklaringen van de verzoeker en alle documentatie of stukken in zijn bezit met betrekking tot:

  • zijn identiteit, nationaliteit(en), leeftijd, achtergrond, en die van de relevante familieleden
  • land(en) en plaats(en) van eerder verblijf, eerdere verzoeken, reisroutes, reisdocumentatie
  • de redenen waarom hij een verzoek om internationale bescherming indient

Het ontbreken van deze elementen, en in het bijzonder het ontbreken van het bewijs omtrent de identiteit of nationaliteit, is een negatieve indicatie voor de algehele geloofwaardigheid van verzoekers relaas, tenzij de verzoeker een bevredigende verklaring geeft.

Artikel 48/6 §4 Verblijfswet bepaalt dat wanneer de verzoeker bepaalde aspecten van zijn verklaringen niet staaft met schriftelijke of andere bewijzen, deze geen bevestiging nodig hebben indien aan deze vijf cumulatieve voorwaarden is voldaan:

  • de verzoeker leverde een oprechte inspanning om zijn verzoek te staven
  • de verzoeker legde alle relevante elementen waarover hij beschikt voor, en gaf een bevredigende verklaring voor het ontbreken van andere bewijskrachtige elementen
  • de verklaringen zijn beoordeeld als samenhangend en aannemelijk en niet in strijd met de algemene en specifieke informatie die gekend en relevant is voor zijn verzoek
  • de verzoeker diende zijn verzoek om IB zo spoedig mogelijk in, of hij gaf goede redenen waarom hij naliet dit te doen
  • de algemene geloofwaardigheid van de verzoeker is komen vast te staan

In het bestreden arrest bevestigt de RvV het cumulatief karakter van deze voorwaarden om het voordeel van de twijfel toe te kennen, maar tegelijk blijkt uit de motivering in deze zaak dat de toekenning steunt op één aspect van het relaas, namelijk de Syrische nationaliteit, terwijl de RvV vaststelt dat een aantal andere elementen ongeloofwaardig zijn.

Aangezien één van de cumulatieve voorwaarden is dat de algemene geloofwaardigheid van de verzoeker vaststaat, kon de RvV niet op wettige wijze toepassing maken van het voordeel van de twijfel op basis van één aspect van het asielrelaas.

De RvS vernietigt het arrest van de RvV.

Kanttekening van Vluchtelingenwerk Vlaanderen

Dit arrest van de RvS gaat over het wettig toekennen van het voordeel van de twijfel. Het velt geen oordeel over de gegrondheid van het verzoek om IB. Een gebrekkige algemene geloofwaardigheid leidt er enkel toe dat het voordeel van de twijfel niet kan worden toegepast op aspecten van de verklaringen die niet door documenten of andere bewijzen worden gestaafd.

De asielinstanties moeten ook rekening houden met de feiten waar geen twijfel over bestaat, zoals in casu de nationaliteit van verzoekster. Zij moeten, naast de verklaringen en aangebrachte bewijzen, onder meer alle relevante feiten over het land van herkomst in rekening brengen om te oordelen of er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat de betrokkene een reëel risico zou lopen op ernstige schade als zij terug zou moeten keren naar haar herkomstland.

De beoordeling dat de algemene geloofwaardigheid van het asielrelaas ontbreekt, is dus op zich niet voldoende om een beschermingsstatus te weigeren (zie ook UNHCR, Beyond Proof, Credibility Assessment in EU Asylum Systems: Full Report, mei 2013, p. 27 en verder).

Bericht van Vluchtelingenwerk Vlaanderen