Rechtbank eerste aanleg Den Haag (Nederland): interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Dublin-asieloverdracht naar België in vraag omwille van opvangcrisis

Door de opvangcrisis en na meer dan 600 voorlopige maatregelen van het EHRM tegenover België, is het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer zonder meer van toepassing op België. De toegang tot het opvangnetwerk is voor volwassen verzoekers om internationale bescherming (IB) namelijk niet langer gegarandeerd. Daarnaast lijkt er niet langer sprake van een effectief rechtsmiddel. Bijgevolg moeten de Nederlandse asieldiensten bij een Dublin-overdracht naar België nader onderzoeken of er sprake is van een mogelijke schending van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.

Op 18 augustus 2022 diende een Chinese man een verzoek om IB in Nederland in. Hiervoor diende hij al een eerder verzoek om IB in België in. Daarom beslisten de Nederlandse asieldiensten op 4 januari 2023 dat België verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om IB. De man tekende beroep aan bij de Rechtbank van Eerste aanleg van Den Haag.

Het interstatelijk vertrouwensbeginsel in het kader van de Dublin-procedure

De rechtbank herneemt het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In het kader van de Dublin-procedure maakt dit beginsel de overdrachten van verzoekers om IB mogelijk. Het vertrouwensbeginsel veronderstelt een automatisch vermoeden dat EU-lidstaten de behandeling van verzoeken om IB conform de geldende rechtsbepalingen uitvoeren. De belangrijkste hierbij zijn het EU Handvest, het EVRM en het Vluchtelingenverdrag van Genève. Hierdoor ligt de bewijslast bij de verzoeker om IB. Hij moet schending aantonen van artikel 3 EVRM en artikel 4 Handvest. Volgens vaste rechtspraak (C-163/17, HvJ en MS.S. t. België en Griekenland, EHRM) ligt de drempel van zwaarwichtigheid om een schending aan te tonen, hoog.

Toegang tot de opvang in België niet gegarandeerd, interstatelijk vertrouwensbeginsel tegenover België op de helling

Over de toegang tot de procedure om IB

De rechter weerlegt de stelling dat de Belgische staat de toegang tot de procedure om IB niet garandeert. De Belgische asieldiensten gaven een akkoord op het terugnameverzoek, wat betekent dat zij het verzoek om IB van de man zullen behandelen.

Over de toegang tot het opvangnetwerk

De rechter argumenteert dat de Belgische staat de toegang tot het opvangnetwerk niet langer kan garanderen. Hij verwijst hiervoor naar de voorlopige maatregelen die door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) werden afgegeven aan de Belgische staat:

  • Camara t. België, nr. 49255/22;
  • Msallem 147 anderen t. België, nr. 48987/22;
  • Reazei Shayan en 189 anderen t. België, 49464/22;
  • Amassri en 121 anderen t. België, nr. 49424/22;
  • Al-Shujaa en 142 anderen t. België, 52208/22.

Deze maatregelen hebben allemaal betrekking op volwassen mannelijke verzoekers om IB zonder opvang. Zij verkregen allemaal een positieve beschikking van de arbeidsrechtbank, die Fedasil verplicht om een opvangplaats af te geven. Het EHRM heeft de Belgische staat telkens opgedragen om de uitspraak van de Arbeidsrechtbank na te leven. Het EHRM geeft voorlopige maatregelen slechts bij wijze van uitzondering. Er moet hiervoor een reëel risico zijn op onomkeerbare schade.

De rechter stelt vervolgens dat deze voorlopige maatregelen aangeven dat volwassen verzoekers om IB “in grote getalen” geen opvang krijgen in België. Daarnaast resulteert een beschikking van de Arbeidsrechtbank niet in het verkrijgen van een opvangplaats. De voorlopige maatregelen geven aan dat België zijn internationale verplichtingen tegenover de man niet zal naleven. Hierdoor is er een risico op een schending van artikel 3 EVRM en artikel 4 Handvest. De Belgische asieldiensten gaven weliswaar een akkoord op het overnameverzoek. Toch kunnen de Nederlandse asieldiensten er niet langer automatisch vanuit gaan dat de man als verzoeker om IB opvang zal genieten. Zij moeten dit bijgevolg nader onderzoeken, en uitgebreider motiveren.

Over de toegang tot een effectief rechtsmiddel

Tot slot stelt de rechter dat de Nederlandse asieldiensten niet voldoende onderzocht hebben of de verzoeker zich bij eventuele problemen kan melden bij de bevoegde Belgische autoriteiten. Uit de voorlopige maatregelen blijkt namelijk dat de Belgische regering - op grote schaal - geen gehoor geeft aan uitspraken van de Arbeidsrechtbank.

Bericht van Vluchtelingenwerk Vlaanderen