RvS: hoorrecht bij beëindiging verblijf impliceert geen proactieve houding vreemdeling maar uitnodiging om gehoord te worden

In zijn arrest nr. 245.427 van 12 september 2019 vernietigt de Raad van State (RvS) arrest nr. 202.022 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV) van 30 maart 2018 waarbij een beslissing tot beëindiging van het verblijfsrecht van een derdelands student werd bevestigd, wegens schending van het hoorrecht. Volgens de RvS moet Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) bij een mogelijke beslissing tot uitwijzing de vreemdeling hierover informeren en hem uitnodigen om relevante informatie over te maken die deze beslissing kan beïnvloeden. De vreemdeling mag niet verondersteld worden deze informatie op eigen initiatief over te maken.

Feiten

De DVZ beëindigde op grond van artikel 61, §1, 1° Verblijfswet (Vw) het verblijfsrecht van een derdelands student wegens onvoldoende studievoortgang en leverde hem een bevel af om het grondgebied te verlaten (BGV) op 9 maart 2017.

Het beroep dat de betrokkene hiertegen instelde bij de RvV werd afgewezen. De RvV oordeelde dat:

  • betrokkene er redelijkerwijze niet aan voorbij kon gaan dat DVZ op ieder moment een verwijderingsmaatregel kon nemen gelet op zijn opeenvolgende schoolse mislukkingen en
  • het dan ook aan betrokkene was om bij de hernieuwingsaanvraag van zijn verblijfstitel alle argumenten voor te leggen die een dergelijke maatregel hadden kunnen verhinderen, wat hij had nagelaten te doen.

De derdelands student ging daarop in beroep bij de RvS.

Beoordeling RvS

Volgens het algemene rechtsbeginsel “Audi alteram partem” moet iedere overheid die overweegt een maatregel te nemen die de belangen van de betrokkene negatief beïnvloedt, hem uitnodigen om zijn argumenten te doen gelden alvorens die beslissing te nemen.

Volgens de RvS heeft de RvV in zijn arrest nr. 202.022 van 30 maart 2018 dan ook het algemene rechtsbeginsel “Audi alteram partem” miskend door te stellen dat betrokkene DVZ niet kon verwijten hem niet gehoord te hebben alvorens het betwiste uitwijzingsbevel te nemen.

Volgens de RvS:

  • had DVZ op basis van het algemene rechtsbeginsel “Audi alteram partem” betrokkene moeten uitnodigen om zijn argumenten te laten gelden toen hij van plan was een uitwijzingsbevel af te leveren op basis van artikel 61, §1, 1° Vw.
  • was het niet aan betrokkene om te anticiperen op een eventueel initiatief van DVZ door bij de hernieuwingsaanvraag van zijn verblijfstitel, bovenop de elementen die hij krachtens artikel 101 Verblijfsbesluit (Vb) moest voorleggen om die hernieuwing te bekomen, andere elementen voor te leggen die zich verzetten tegen een verwijderingsmaatregel op grond van de eerder genoemde bepaling uit de Verblijfswet.

Hoorrecht in de Verblijfswet

Sinds 29 april 2017 (kort na de betwiste beslissing in bovenstaande casus) voorziet de Verblijfswet een hoorrecht telkens als de minister of DVZ overweegt een verblijfsrecht van meer dan drie maanden te beëindigen of in te trekken (artikel 62, §1 Vw). Enkel in volgende gevallen is er geen hoorrecht voorzien, namelijk als:

  • redenen van staatsveiligheid zich ertegen verzetten,
  • buitengewone omstandigheden eigen aan het geval dit in de weg staan of verhinderen omwille van hun aard of ernst, of
  • de betrokkene ‘onbereikbaar’ is.

Deze uitzonderingen moeten volgens rechtspraak van de RvS restrictief geïnterpreteerd worden en zijn enkel toegelaten ter bescherming van een hoger algemeen belang (RvS nr. 78.360 van 26 januari 1999; RvS nr. 78.887 van 23 februari 1999).

Als de minister of DVZ overweegt een verblijfsrecht van meer dan drie maanden te beëindigen of in te trekken (en er geen uitzondering op het hoorrecht van toepassing is), brengt DVZ de betrokkene hiervan schriftelijk op de hoogte.

De betrokkene krijgt in principe vijftien dagen tijd, vanaf de ontvangst van de brief van de minister of DVZ, om relevante elementen schriftelijk over te maken die het nemen van de beslissing kunnen verhinderen of beïnvloeden. Deze termijn kan, rekening houdend met de omstandigheden eigen aan het geval, worden ingekort of verlengd indien dat nuttig of noodzakelijk blijkt te zijn voor het nemen van een beslissing.

De wettelijke regeling van het hoorrecht houdt dus slechts een schriftelijke communicatie in. De betrokkene wordt niet mondeling gehoord maar wordt schriftelijk gevraagd eventuele relevante informatie die het nemen van de beslissing kan verhinderen of beïnvloeden, over te maken.

Uit rechtspraak volgt dat de overheid verplicht is vóór het nemen van de beslissing aan de betrokkene mee te delen op welke elementen de administratie haar besluit wil baseren (HvJ, C-249/13, Boudjlida van 11 december 2014; HvJ, C-349/07, Sopropé van 18 december 2008; HvJ, C-462/98, Mediocurso/Commissie van 21 september 2000; HvJ C-32/95, Commissie/Lisrestal van 24 oktober 1996; RvS nr. 146.472 van 23 juni 2005; RvS nr. 126.220 van 9 december 2003). Om op een nuttige wijze het hoorrecht te kunnen uitoefenen zou DVZ dus vóór elke eventueel nadelige beslissing zijn ontwerp-beslissing met motivatie moeten overmaken aan de vreemdeling zodat die eventuele relevante informatie kan overmaken.

Meer info