RvV: DVZ bevoegd voor toepassing Verblijfswet, niet voor Wetboek Belgische Nationaliteit

De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV) vernietigt de weigering van een verblijfsaanvraag op basis van artikel 10 §1, 2° Verblijfswet (Vw) door Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ). Dat artikel voorziet een verblijfsrecht voor vreemdelingen die de Belgische nationaliteit verloren, maar kunnen ‘herkrijgen’. Volgens DVZ is niet aan de voorwaarden tot deze herkrijging uit artikel 24 Wetboek Belgische nationaliteit (WBN) voldaan. De RvV verduidelijkt dat de DVZ alleen de voorwaarden die de Verblijfswet oplegt mag controleren. Dit impliceert dat het niet aan DVZ is om de voorwaarden van het WBN te onderzoeken.

Voorwaarden herkrijgen Belgische nationaliteit (art. 24 WBN)

Artikel 24 WBN bepaalt dat je na verlies van de Belgische nationaliteit, de Belgische nationaliteit kan herkrijgen door een nationaliteitsverklaring af te leggen als:

  • je de nationaliteit niet verloren bent door vervallenverklaring; dat wil zeggen dat je nationaliteit werd afgenomen als straf, bijvoorbeeld na fraude of na een zware strafrechtelijke veroordeling
  • je een ononderbroken wettelijk verblijf in België hebt sinds minstens 12 maanden
  • je een verblijfsrecht van onbeperkte duur hebt.

De betrokkene was Belg geworden als minderjarige op het moment dat zijn vader de Belgische nationaliteit kreeg. Op zijn 28e verjaardag verloor hij de Belgische nationaliteit weer omdat hij geen verklaring tot behoud van de nationaliteit had afgelegd vóór zijn 28e verjaardag, zoals artikel 22, §1, 5° WBN voorziet.

Recht op verblijf om Belgische nationaliteit te herkrijgen

De betrokkene vroeg een verblijf in België aan op basis van artikel 10, §1, 2° Vw. Dat artikel voorziet een toelating tot verblijf van rechtswege van meer dan 3 maanden voor de vreemdeling die

  • de voorwaarden tot herkrijging van de Belgische nationaliteit vervult zoals voorzien in het WBN,
  • zonder dat de betrokkene al 12 maanden hoofdverblijfplaats in België moet hebben
  • en zonder dat hij al een verklaring tot herkrijging van de Belgische nationaliteit moet hebben afgelegd.

DVZ verklaart de verblijfsaanvraag op basis van artikel 10, §1, 2° Vw ontvankelijk maar ongegrond. DVZ doet daarbij een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag tot herkrijging van de nationaliteit. Hij meent dat de betrokkene de Belgische nationaliteit niet kan herkrijgen omdat hij:

  • nooit aanspraak heeft gemaakt op het behoud van de Belgische nationaliteit,
  • geen verblijfsrecht van onbeperkte duur heeft, en
  • geen ononderbroken verblijf van 12 maanden in België heeft.

RvV: DVZ mag de voorwaarden van WBN niet toevoegen aan Vw

De RvV stelt dat DVZ artikel 10, §1, 2° Vw schendt door een extra voorwaarde toe te voegen die niet in dat artikel staat, namelijk door te eisen dat dat de betrokkene in het verleden al aanspraak zou hebben moeten maken op het behoud van de Belgische nationaliteit.

Ook zegt de RvV dat DVZ ten onrechte als argument aanhaalt dat de betrokkene nog geen 12 maanden ononderbroken hoofdverblijfplaats in België heeft en nog geen verblijfsrecht van onbeperkte duur, wat voorwaarden zijn tot herkrijging van de Belgische nationaliteit uit artikel 24 WBN. Het doel van artikel 10, §1, 2° Vw is namelijk om een verblijfsrecht te voorzien voor de vreemdelingen die de Belgische nationaliteit willen herkrijgen. Deze verblijfsaanvraag weigeren omdat de vreemdeling nog geen verblijfsrecht heeft, zou dit artikel volledig uithollen. Artikel 10, §1, 2° Vw stelt expliciet dat er nog géén 12 maanden hoofdverblijfplaats in België moet zijn om van rechtswege toegelaten te zijn tot een verblijf van meer dan 3 maanden.

Om die redenen vernietigt de RvV de beslissing van DVZ tot weigering van verblijf.

Alleen ABS, parket en rechtscolleges bevoegd voor inhoudelijke beoordeling WBN

Dit arrest bevestigt dat DVZ enkel kan oordelen over aanvragen en voorwaarden die volgen uit de Verblijfswet. Inhoudelijke beoordeling van het WBN is daarbij niet aan de orde. Dat volgt overigens ook letterlijk uit het WBN zelf: de bevoegdheid tot beoordeling van de voorwaarden uit het WBN wordt op geen enkele manier bij DVZ gelegd. Die ligt wel bij de ambtenaar van de Burgerlijke Stand, de procureur des Konings, en in beroep bij de rechtscolleges.

Hieruit volgt dat ook andere artikels van het WBN, zoals artikel 10 WBN dat de Belgische nationaliteit toekent aan kinderen die in België geboren worden zonder nationaliteit, geen bevoegdheid van DVZ is.

Meer info