Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 16.459 - 26-09-2008

Samenvatting

Verweerder betoogt dat een expliciete juridische basis niet vereist is om over te gaan tot de intrekking van een verblijfsrecht indien dit verblijfsrecht verworven werd ingevolge een manifest bedrog en bijgevolg toepassing kan gemaakt worden van het beginsel "fraus omnia corrumpit". Deze stelling kan gevolgd worden op voorwaarde dat er effectief sprake is van bedrieglijke handelingen die van doorslaggevend belang zijn geweest bij de erkenning van een vestigingsrecht. De Raad dient evenwel vast te stellen dat in casu niet wordt aangetoond dat verweerder zou zijn misleid door verzoeker op het ogenblik dat verzoeker tot de vestiging werd toegelaten. Er dient te worden besloten dat de motiveringsplicht werd miskend nu verweerder in de eerste bestreden beslissing niet aangaf op welke juridische grond deze beslissing werd genomen en dat het kennelijk onredelijk is en getuigt van een onzorgvuldige besluitvorming om op basis van bepaalde gegevens een vreemdeling tot de vestiging toe te laten en vervolgens deze zelfde gegevens, na twee jaar, te "herappreciëren" om tot een ander besluit te komen.