Samenvatting
De vraag die tijdens het onderzoek van een asielaanvraag uiteindelijk moet gesteld worden is of de asielzoeker al dan niet een vrees heeft voor vervolging om een van de redenen opgesomd in de Conventie van Genève. Hoewel het onderzoek naar de geloofwaardigheid van de asielzoeker, dat gewoonlijk gevoerd wordt, in principe een noodzakelijke stap vormt om deze vraag te kunnen beantwoorden, dient men te vermijden dat deze stap de vraag zelf overschaduwt. Wanneer er twijfel bestaat over bepaalde feiten of over de oprechtheid van de asielzoeker, stelt deze twijfel de asielinstanties niet vrij van de verplichting om te onderzoeken of er uiteindelijk al dan niet een vrees heeft voor vervolging bestaat, die voldoende bewezen kan worden, niettegenstaande bepaalde twijfels. De Raad acht bewezen dat verzoeker de verblijfswetgeving van toepassing op Oezbeekse onderdanen, overtreden heeft, zodat hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst het risico loopt vervolgd te worden op basis van artikel 223 van het Oezbeeks Strafwetboek.