32.902   - 20-10-2009

Samenvatting

Gelet op het (essentieel) schriftelijk en tegensprekelijk karakter van de rechtspleging voor de Raad en op de inquisitoriale aard van de rechtspleging dient ingeval een mogelijke substantiële onregelmatigheid pas tijdens het beraad wordt ontdekt, zoals in casu, een mogelijkheid van schriftelijk verweer geboden te worden aan de partijen. Artikel 39/2 § 1, 2° van de Vreemdelingenwet bepaalt uitdrukkelijk dat de beslissingen van de CGVS vernietigd kunnen worden indien aan de bestreden beslissing een substantiële onregelmatigheid kleeft die niet door de Raad kan worden hersteld. De bevoegdheid van om het even welk administratief orgaan moet rechtstreeks of onrechtstreeks haar oorsprong vinden hetzij in de Grondwet, hetzij in de wet. Onbevoegdheid doet zich dan ook voor als een administratief orgaan handelt wanneer het daartoe niet rechtstreeks of onrechtstreeks door de Grondwet of door de wet is gemachtigd. Plaatsvervanging kan pas plaatshebben in de gevallen door de wet bepaald en met nakoming van de bij de wet gestelde voorwaarden, in casu bij de verhindering van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. De vermelding van de “verhindering” van de bekleder van de functie is derhalve een substantiële pleegvorm. Toestaan dat een administratief orgaan zo goed als voortdurend verhinderd is, terwijl het eigenlijk aanwezig is en zijn normale werkzaamheden uitoefent en geen enkele omstandigheid het verhindert de hem toegekende bevoegdheden uit te oefenen, komt er op neer dat het begrip “verhindering” volledig wordt uitgehold. Gelet op deze vaststellingen dient geconcludeerd te worden dat de adjunct-commissaris de bestreden beslissing in eigen naam genomen en ondertekend heeft en de bestreden beslissing derhalve niet wettig heeft genomen. De vraag tot slot of de Raad de onregelmatigheid van de door de adjunct-commissaris genomen en ondertekende beslissing al dan niet kan herstellen, dient negatief te worden beatnwoord.