Samenvatting
De bestreden beslissing is gestoeld op het gebrek aan geloofwaardigheid van de verzoeker. Het CGVS stelt vast dat de verklaringen van verzoeker te onsamenhangend zijn, dat hij niet voldoende bewijzen neerlegt en dat hij geen stappen ondernam om deze bewijzen te bemachtigen. De Raad is echter niet overtuigt door deze motivering. Hij herinnert dat de te behandelen vraag is of er al dan niet redenen zijn om te vrezen vervolgd te worden omwille van één van de motieven zoals bedoeld in de Conventie van Genève. Het onderzoek naar de geloofwaardigheid van het relaas mag deze vraag zelf niet weglaten. De Raad stelt vast dat verzoeker wel verschillende bewijzen neerlegt ter ondersteuning van zijn relaas. In het administratief dossier is er geen element van aard om de goede trouw van verzoeker in twijfel te trekken. Het relaas van verzoeker is in overeenstemming met de verschillende bronnen van informatie beschikbaar. Bovendien werd verzoeker reeds vervolgd, hetgeen een serieuze indicatie is voor de gegronde vrees van verzoeker om opnieuw vervolgd te worden. De Raad besluit dat er voldoende aanwijzingen zijn voor de gegrondheid van de vrees van verzoeker in geval van terugkeer naar zijn land van herkomst.