Samenvatting
Verzoekers hadden een aanvraag ten behoeve van een minderjarige waarvoor een “kafala”-akte was verleden, ingediend om een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden te verkrijgen. Deze aanvraag werd in hoofdorde ingediend op grond van gezinshereniging en in subsidiaire orde op grond van humanitaire redenen. Voor zover de aanvraag het verkrijgen van een visum gezinshereniging betreft, komt de betwisting neer op de verschillende interpretatie van het begrip “minderjarigen ten laste” uit artikel 13 van het Bilateraal Terwerkstellingsakkoord. Voor deze interpretatie verwijst de Raad in de eerste plaats naar de context van deze bepaling. Het begrip “minderjarigen ten laste” komt aan bod in het kader van de door art. 13 geboden mogelijkheid voor Marokkaanse werknemers om hun gezin te laten overkomen. Zoals in de bestreden beslissing kan worden verwezen naar art. 12 van hetzelfde Bilateraal Tewerkstellingsakkoord waarin het sociaalrechtelijk statuut van de Marokkaanse arbeidsmigrant wordt geregeld en in het bijzonder naar het punt 2 waarin met betrekking tot de kinderbijslag wordt verwezen naar “kinderen” die respectievelijk in België en in Marokko vertoeven. Uit niets blijkt dat in het Bilateraal Tewerkstellingsakkoord Marokko met betrekking tot het verblijfsrecht een meer uitgebreide categorie familieleden zou worden beoogd dan met betrekking tot de sociale zekerheidsrechten. Daarnaast wijst de Raad op vergelijkbare tewerkstellingsakkoorden waarbij in de gezinsherenigingsbepaling steeds gewag wordt gemaakt van “minderjarige kinderen ten laste”. Vervolgens wordt gekeken naar de parlementaire voorbereiding. Uit niets blijkt dat het de bedoeling was om voor Marokkaanse werknemers een breder “gezinsconcept” te hanteren dan voor de werknemers ressorterend onder de andere Bilaterale Tewerkstellingsakkoorden. In casu is de betrokken minderjarige geen kind van verzoekers, wat verzoekers zelf toegeven door in hun verzoekschrift te stellen at de “kafala” geen afstammingsbanden creëert. Voor de beoordeling van de aanvraag om machtiging tot verblijf om humanitaire redenen (tweede middelonderdeel) werd toepassing gemaakt van art. 9 van de Vreemdelingenwet. Uit het dossier blijkt dat het minderjarige familielid actueel in Marokko een gezinsleven onderhoudt met haar broers. Verzoekers maken niet aannemelijk dat de beslissing waarbij een visum lang verblijf wordt geweigerd een disproportionele inbreuk uitmaakt op het gezinsleven van de minderjarige in kwestie. De Raad is van mening dat het virtuele gezinsleven in België op grond van de “kafala” geen ruimere bescherming verdient dan het actuele gezinsleven in het land van herkomst. De “kafala” creëert immers geen afstammingsbanden en verzoekers geven in hun verzoekschrift zelf aan dat deze voornamelijk bijstand op materieelrechtelijk vlak beoogt aangezien ze stellen dat de kafala naar Marokkaans recht inhoudt: “l’engagement de prendre en charge la protection, l’éductation et l’entretien d’un enfant abandonné au même titre que le ferait un père pour son enfant”. Verzoekers kunnen dus niet dienstig voorhouden dat deze “kafala” het recht zou inhouden om de tenlastenemer in het buitenland te vervoegen. Zelfs indien verzoekers deze “kafala” bijkomend moduleren en erin opnemen dat verzoekers er zich toe verbinden om de minderjarige nar België over te brengen, kunnen zij hieruit geen recht op afgifte van een visum door de Belgische Staat puren