Samenvatting
Per 20 oktober 2009 wordt een beslissing tot vasthouding in een welbepaalde plaats genomen, ingevolgde de beslissing van 19 oktober 2009 tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten (bijlage 26 quater). Op 4 november 2009 werd een verzoek tot schorsing en vernietiging ingediend, doch pas op 19 november 2009, nadat verzoeker daags voordien kennis kreeg van de effectieve repatriëringsdatum, werd de behandeling bij uiterst dringende noodzakelijkheid gevorderd, teneinde voorlopige maatregelen te bekomen. Echter moest verzoeker vanaf het moment dat hij van zijn vrijheid werd beroofd, ervan uitgaan dat de effectieve verwijdering van het grondgebied imminent was, en aldus diligent ageren door het instellen van een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. De procedure om voorlopige maatregelen te bekomen, mag niet misbruikt worden om de eigen nalatigheid te herstellen en zich een variabele termijn toe te kennen om de vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid in te stellen, door pas op het ogenblik van de repatriëring het eerder ingediend verzoek alsnog om te zetten in een vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid.