Samenvatting
De bewijslast inzake de gegrondheid van een asielaanvraag rust in beginsel op de asielzoeker zelf. Zoals iedere burger die om een erkenning vraagt, moet ook hij aantonen dat zijn aanvraag gerechtvaardigd is. Hij moet een poging ondernemen om het relaas te staven en hij moet de waarheid vertellen. In casu betreffen de vastgestelde tegenstrijdigheden geen details maar elementen die de kern van verzoekers asielrelaas uitmaken en waarvan redelijkerwijze mag verwacht worden dat hij ze, ook na verloop van een bepaalde tijd, nog waarheidsgetrouw De bewijslast inzake de gegrondheid van een asielaanvraag rust in beginsel op de asielzoeker zelf. Zoals iedere burger die om een erkenning vraagt, moet ook hij aantonen dat zijn aanvraag gerechtvaardigd is. Hij moet een poging ondernemen om het relaas te staven en hij moet de waarheid vertellen. In casu betreffen de vastgestelde tegenstrijdigheden geen details maar elementen die de kern van verzoekers asielrelaas uitmaken en waarvan redelijkerwijze mag verwacht worden dat hij ze, ook na verloop van een bepaalde tijd, nog waarheidsgetrouw kan weergeven, temeer daar het gaat om ingrijpende gebeurtenissen die geacht mogen worden in het geheugen van de asielzoeker gegrift te zijn. Met betrekking tot belangrijke feiten die de essentie van het asielrelaas uitmaken, mag ook van een persoon met een geringe opleiding verwacht worden dat deze in staat is voldoende coherente en duidelijke informatie te verstrekken betreffende gebeurtenissen die hij persoonlijk heeft meegemaakt. De vastgestelde tegenstrijdigheden zijn dermate wezenlijk dat ze niet verklaard kunnen worden door een gebrek aan scholing. Er bestaat geen enkele bepaling of geen enkel beginsel op grond waarvan het CGVS verplicht zou zijn om in het kader van een hangende asielaanvraag de feiten te onderzoeken die aan de basis liggen van de erkenning als vluchteling van familieleden van de asielzoeker. Zoals eerder gesteld, ligt de bewijslast in beginsel bij de asielzoeker zelf en ishet dus aan verzoekers om aan te geven waarom en op welke wijze deze erkenningen in onderhavig geval dienstig kunnen zijn, hetgeen in deze niet gebeurd is. De beweringen van verzoekers aangaande de veiligheidsproblemen en de socio-economische toestand van de Roma in Kosovo worden niet in het minst gestaafd of aannemelijk gemaakt. Bovendien zijn ze in tegensraak met de Cedoca-rapporten waaruit blijkt dat de veiligheid va de Roma in Kosovo gewaarborgd is.