Samenvatting
Wanneer DVZ in haar besluitvorming verwijst naar een eerdere procedure aangaande de erkenning van het afgesloten huwelijk van verzoekers, moet rekening gehouden worden met alle stukken in deze procedures zodat niet kon besloten worden dat er geen bewijs was van een duurzame relatie, nu uit de woonstverslagen in vermelde procedure het tegendeel blijkt. Vervolgens blijkt niet uit de bestreden beslissing waarom verzoekers als gehuwd moeten beschouwd worden in het kader van de wettelijke samenwoning (artikel 1475 BW) doch als ongehuwd moeten beschouwd worden in het kader van de erkenning van het huwelijk met het oog op een verblijfsvergunning (wegens wetsontduiking in toepassing van artikel 16 WIPR). Het is door toedoen van de procedures door verweerder aangaande de weigering van erkenning van het huwelijk dat verzoekers genoodzaakt waren een verblijfsaanvraag in te dienen op grond van het wettelijk samenwonings-contract. Het is dan ook kennelijk onredelijk en tegenstrijdig deze aanvraag te weigeren wegens het zogenaamde huwelijk tussen verzoekers, hetwelk echter eerder door verweerder niet erkend werd in het kader van de verblijfsvergunning op grond van dit huwelijk. De beslissing wordt vernietigd