Samenvatting
De Raad merkt op dat artikel 13, § 3, 2°, van de Vreemdelingenwet slechts toelaat om te beslissen tot de afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten aan een vreemdeling die tot een tijdelijk verblijf gemachtigd werd indien deze vreemdeling niet langer voldoet aan de voorwaarden die het bestuur ertoe brachten hem initieel een verblijfsmachtiging toe te staan (Parl. St., Kamer 2005-2006, nr. 2478/001, 73). In casu werd aan verzoeker een verblijfsmachtiging van negen maanden toegestaan gelet op zijn medische situatie. Het feit dat verzoeker nog niet voldeed aan de voorwaarden waaraan hij slechts diende te voldoen met het oog op een eventuele “verlenging” van zijn verblijfsmachtiging en die los staan van zijn medische situatie laat in casu derhalve niet toe, op basis van artikel 13, § 3, 2°, van de Vreemdelingenwet een bevel om het grondgebied te verlaten af te leveren voor het verstrijken van de geldigheidsduur van het initieel toegestane bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister. Verweerder weerlegt de stelling van verzoeker niet dat de beslissing niet specificeerde op welk ogenblik aan de voorwaarden inzake de verlenging van de verblijfsmachtiging diende te worden voldaan.