Samenvatting
Het loutere feit dat verzoeker zich in Griekenland zou bevinden, doordat de overdracht reeds werd uitgevoerd, laat niet toe te besluiten dat hij geen belang meer zou hebben bij de vernietiging van een beslissing waarbij niet enkel een bevel om het grondgebied te verlaten wordt gegeven, maar de Belgische autoriteiten ook oordeelden niet bevoegd te zijn voor de behandeling van zijn asielaanvraag. Om evenwel te kunnen besluiten tot een schending van artikel 3 EVRM, moet verzoeker aantonen dat er ernstige en zwaarwichtige gronden aanwezig zijn om aan te nemen dat hij een ernstig en reëel risico loopt te worden blootgesteld aan foltering of mensonterende behandeling. Hij moet deze beweringen staven met een begin van bewijs en concrete, op zijn persoonlijke situatie betrokken feiten aanbrengen. Niettegenstaande het UNHCR meent dat er zich nog steeds tal van praktische problemen stellen in Griekenland bij de behandeling van asielaanvragen, kan niet besloten worden dat verzoeker zal onderworpen worden aan foltering of onmenselijke behandelingen. Verweerd heeft alleszins rekening gehouden met deze bekende omstandigheden en bekritiseerde situatie van asielzoekers in Griekenland, en er is dan ook geen sprake van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel.