Samenvatting
De door de verzoekende partij aangevoerde bepalingen en beginselen houden niet in hoofde van de Raad de verplichting in om kennis te nemen van alle middelen die de verzoekende partij naar voren brengt, ongeacht of die nu al dan niet in het oorspronkelijke verzoekschrift werden aangehaald. Zoals uit de wetsgenese blijkt, geschiedt de uitoefening van de bevoegdheid van volle rechtsmacht uitsluitend op basis van het rechtsplegingdossier. Daartoe behoren niet de niet in de procedureregeling voorziene proceduregeschriften. In de mate dat de verzoekende partij ter adstructie van haar betoog doet gelden dat de repliekmemorie een middel van openbare orde bevat dat derhalve “in limine litis kan opgeworpen worden en zelfs ambtshalve dient te worden opgeworpen door de RvV zelf”, doet de Raad gelden wat volgt. Artikel 39/69, § 1, tweede lid, 4° van de vreemdelingenwet bepaalt dat het verzoekschrift op straffe van nietigheid een uiteenzetting van de middelen dient te bevatten die ter ondersteuning van het beroep worden ingeroepen. Het schriftelijke karakter verbiedt dat nieuwe middelen ter terechtzitting worden voorgelegd. Het is derhalve de partijen verboden enig nieuw middel, weze het van openbare orde, ter terechtzitting of in een niet voorzien proceduregeschrift aan de Raad voor te leggen. Deze vaststelling doet geen afbreuk aan het feit dat de Raad in het raam van zijn bevoegdheid ambtshalve een middel van openbare orde zou kunnen aanvoeren.