Samenvatting
De uiteenzetting van de feiten vereist door art. 39/69 § 1, al. 2, 4° Vw. heeft als doel de rechter in staat te stellen het voorwerp en de omstandigheden van de betwisting opgeworpen door de verzoeker in het verzoekschrift, te begrijpen. De afwezigheid van een dergelijke uiteenzetting of het bestaan van lacunes leidt maar tot de onontvankelijkheid van het beroep wanneer het verzoekschrift dermate onduidelijk is geredigeerd dat de feiten die nuttig zijn voor het onderzoek niet begrijpbaar zijn, hetgeen het arrest in casu niet vaststelt.