Samenvatting
Uit vaste rechtspraak blijkt dat de asielzoeker, zelfs wanneer die slechts een lage scholing heeft genoten, in staat moet zijn te antwoorden op eenvoudige vragen in verband met de streek waarvan hij beweert afkomstig te zijn en het dagelijkse leven daar. Met betrekking tot belangrijke feiten die de essentie van het asielrelaas uitmaken, mag ook van een persoon met een geringe opleiding worden verwacht dat deze in staat is voldoende coherente en duidelijke informatie te verstrekken betreffende gebeurtenissen die hij persoonlijk heeft meegemaakt. Een toetsing van de achtergrondkennis van een verzoeker is voor de asielinstanties vaak de enige manier om de waarachtigheid van de voorgehouden nationaliteit en verblijfplaats(en) te achterhalen, zeker wanneer er geen materieel bewijs geleverd wordt voor het beweerde verblijf, zoals in casu. Verzoekers klacht dat zij nooit geconfronteerd werden met de hen tegengeworpen inconsistenties alsook het feit dat wat zij wel wisten te zeggen, niet werd opgenomen in de bestreden beslissing, kan niet worden aanvaard. De procedure voor het Commissariaat-generaal is geen jurisdictionele, maar een administratieve procedure. Geen enkele rechtsregel schrijft voor dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verzoekers vooraf moet confronteren met de informatie op grond waarvan hij zijn beslissing neemt. Verzoekers refereren tot slot aan ‘s Raads arrest nr. 11.882 van 27 mei 2008 waaruit zou blijken dat het Commissariaat-generaal zich niet louter kan beperken tot het vaststellen dat er geen ‘correcte inschatting’ gemaakt kan worden en kan nalaten om een ernstig onderzoek te voeren opdat alle feiten vastgesteld kunnen worden. Integendeel wordt er volgens verzoekers in het arrest gesteld dat het aan beide partijen (dus ook het Commissariaat-generaal) is om een onderzoek te voeren opdat alle feiten kunnen vastgesteld worden. Aangezien de gehele provincie van verzoekers vermeld staat op de lijst van de gevaarlijke districte