Samenvatting
In haar beroepschrift van 9 december 2005 heeft de verzoekster aangedrongen op een heronderzoek van de zaak en heeft ze, uitgaande van de concrete omstandigheden die aan de basis liggen van het indienen van de aanvraag, tal van redenen opgegeven voor het verder in dienst kunnen houden van de betrokken werkneemster. Met het bestreden besluit worden de in het beroepschrift aangevoerde argumenten verworpen op grond van de overweging dat "in het beroepschrift (...) geen relevante economische en/of sociale argumenten (worden) toegelicht en aangetoond, die een afwijking (...) kunnen rechtvaardigen" en "eventuele economische of sociale argumenten kunnen opgevangen worden door een kans te bieden aan een bij de VDAB ingeschreven werkzoekende, mits een betere samenwerking van de werkgever met de VDAB diensten". Niets laat toe te besluiten dat de in het beroepschrift ingeroepen redenen volstrekt vreemd zijn aan de "economische of sociale redenen", bedoeld in artikel 38, § 2, van het koninklijk besluit van 9juni 1999. Om te voldoen aan de vereisten van de formele motiveringsplicht, kon de verwerende partij zich dan ook niet beperken tot de enkele vaststelling dat geen relevante economische en/of sociale argumenten worden aangevoerd. De in het bestreden besluit opgegeven motieven zijn nietszeggend omdat de verzoekster er niet uit kan afleiden waarom de door haar ingeroepen redenen niet als voldoende zwaarwichtig worden beschouwd om een afwijking op grond van artikel 38, § 2 van het koninklijk besluit van 9juni 1999 toe te staan. Het onderzoek van het tweede middel dringt zich enkel op in de mate dat het bestreden besluit mede steunt op de vaststelling dat "betrokkene in het Rijk (is) gekomen om er te worden tewerkgesteld, vooraleer de werkgever een arbeidsvergunning bekwam (art. 4, § 2 van de wet van 30/4/99)" en van voormelde bepaling niet kan worden afgeweken op grond van artikel 38, § 2, van het koninklijk besluit van 9 juni 1999. Artikel 4, § 2, van de wet van 30 april 1999