Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 53.240 - 16-12-2010

Samenvatting

De grondwettelijke regels van gelijkheid en non-discriminatie, vervat in de artikelen 10 en 11 Gw., sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en redelijk verantwoord is. Verzoeker kan gevolgd worden waar hij stelt dat er een onderscheid gemaakt wordt tussen vreemdelingen die vóór 16 december 2009 een regularisatieaanvraag hebben ingediend en deze die dit na deze datum hebben gedaan. Dit onderscheid baseert de verwerende partij op de instructie van 19 juli 2009. Zoals de bestreden beslissing zelf aangeeft dient de Raad samen met de verzoeker vast te stellen dat de voormelde instructie door de Raad van State vernietigd werd omdat ze geen ruimte meer toeliet voor appreciatie doordat meteen aan de voorwaarde van buitengewone omstandigheden zoals voorzien in de Vreemdelingenwet was voldaan, wanneer aan de in de instructie opgenomen criteria wordt voldaan en dit terwijl enkel de wetgever de aanvragende vreemdeling kan ontslaan van de verplichting aan te tonen dat er in zijn geval buitengewone omstandigheden voorhanden zijn. De verwerende partij miskent aldus het vernietigingsarrest van de Raad van State. De verwerende partij beschikt ook bij de ontvankelijkheidsfase over een ruime discretionaire bevoegdheid, doch deze bevoegdheid heeft betrekking op de beoordeling van de buitengewone omstandigheden. De verwerende partij kan haar ruime discretionaire bevoegdheid niet misbruiken om voorwaarden aan de wet toe te voegen. Voor de beoordeling van de gegrondheid van de aanvraag zijn geen wettelijke criteria voorzien en dus kan de verwerende partij de criteria welke vooropgesteld waren in de instructie hernemen als ware het nieuwe criteria voor de beoordeling van de gegrondheid van de aanvraag.