Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 44.196 - 28-05-2010

Samenvatting

Met betrekking tot de grief over de afwezigheid van een handtekening van de ambtenaar op de akte van kennisgeving en over de handtekening van de Belgische consul, herinnert de Raad aan de bewoordingen van artikel 62 Vreemdelingenwet dat zegt dat administratieve beslissingen ter kennis gebracht worden van de betrokkenen die “een afschrift ervan ontvangen”. Hieruit volgt dat verzoeker niet kan stellen op het ogenblik van de kennisgeving een getekend exemplaar van de beslissing te moeten ontvangen. Aangezien geen enkele andere wettelijke bepaling oplegt dat het afschrift, aldus bekend gemaakt, de handtekening van de betrokken ambtenaar moet dragen, is de kritiek van verzoeker zonder voorwerp. Uit artikel 12bis §2, artikel 10ter §1 Vreemdelingenwet en artikel 25/3§1 Vreemdelingenbesluit volgt dat de behandelingstermijn begint te lopen vanaf het ogenblik dat alle vereiste documenten neergelegd worden. Deze neerlegging wordt geformaliseerd door de afgifte van een ontvangstbewijs. De Raad stelt vast dat verzoeker geen ontvangstbewijs voorlegt, noch beweert er geen ontvangen te hebben, waardoor hij niet kan genieten van de behandelingstermijn in artikel 12bis Vreemdelingenwet.