Samenvatting
De verwerende partij lijkt, in haar stelling dat geen enkele wettelijke bepaling haar verplicht om de raadsman van verzoeker op de hoogte te houden van het plaatsvinden van het interview, voorbij te gaan aan de bepalingen van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor het Commissariaat voor de vluchtelingen en de staatlozen. De verwerende partij betwist niet dat de tussenkomst van de raadsman van verzoeker reeds was gemeld in het kader van de asielprocedure. De stukken die dat aantonen bevinden zich overigens in het rechtsplegingsdossier. Derhalve diende deze ervan in kennis te worden gesteld dat het interview zou plaatsvinden. Dat verzoeker dan maar zelf zijn raadsman op de hoogte had moeten brengen, en hij, door dat niet te doen, heeft verzaakt aan het recht op bijstand tijdens het gehoor, kan niet worden bijgetreden. Immers dient nog te worden gewezen op artikel 9, § 1 van het voormelde koninklijk besluit, zoals gewijzigd bij artikel 9, 10 van het koninklijk besluit van 18 augustus 2010, dat onder meer bepaalt dat de oproeping tot gehoor minstens de vermelding bevat dat de asielzoeker zich op de dag van het gehoor kan laten bijstaan door een advocaat en een vertrouwenspersoon. Deze bepaling trad in werking op 13 september 2010, dag waarop de oproepingsbrief werd gedateerd, zodat de brief deze vermelding had moeten bevatten, hetgeen in casu niet het geval blijkt te zijn. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat het middelonderdeel gegrond is. Gelet op het feit dat aan de bestreden beslissing een substantiêle onregelmatigheid kleeft die door de Raad niet kan worden hersteld, moet de bestreden beslissing overeenkomstig artikel 39/2, § 1, 20 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen worden vernietigd.