Samenvatting
In zoverre het middel ervan uitgaat dat de omstaudigheid dat de verweerder, die op 14 maart 1996 door het Commissariaat-generaal als vluchteling werd erkend, naliet tussen 7 en 21 mei 1997 de verlenging van zijn inschrijving in het vreemdelingenregister aan te vragen en tengevolge daarvan op 16 maart 1998 ambtshalve uit het vreemdelingregister werd geschrapt, tot gevolg heeft dat zijn verblijf in het Rijk, bij gebrek aan geldige verblijfstitel, niet meer als een wettelijk verblijf kan worden aangezien, kan het niet worden aangenomen. Voor het overige gaat het middel ervan uit dat de verweerder meer dan een jaar afwezig was uit het Rijk en om die reden niet voldeed aan de voorwaarden om een aanvraag van machtiging tot terugkeer in het Rijk in te dienen. Het middel vergt in zoverre een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is en is mitsdien niet ontvankelijk.