Raad van State - 210.029 - 22-12-2010

Samenvatting

Artikel 8 van het EVRM is niet van openbare orde, doch staat als hogere norm boven de Vreemdelingenwet staat. De algemene stelling in het bestreden arrest dat een "rechtmatige" toepassing van de Vreemdelingenwet geen schending van artikel 8 van het EVRM kan uitmaken, volstaat niet. De toepassing van de Vreemdelingenwet bij het nemen van de bestreden beslissingen, zeker wat betreft het bevel om het grondgebied te verlaten, moet getoetst worden aan de voorwaarden van artikel 8 van het EVRM. Uit de overwegingen van het bestreden arrest blijkt niet dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is nagegaan of de verwerende partij in haar beslissingen tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten aan de voorwaarden van artikel 8 van het EVRM heeft voldaan, met name wat betreft de noodzaak in een democratische samenleving van inmenging in het gezinsleven van de verzoekende partijen en wat betreft de afweging tussen de belangen van de staat enerzijds en van de verzoekende partijen en hun zoon anderzijds. Het volstaat niet daartoe te stellen dat de verzoekende partijen zich door hun zoon kunnen laten vergezellen en dat noch de formele motiveringsplicht noch artikel 8 van het EVRM een nadere motiveringsplicht omvatten. De verwijzing naar de mogelijkheid om zich door de zoon te laten vergezellen toont immers geen onderzoek aan naar de noodzaak van de inmenging in het gezinsleven door een verwijdering.