Samenvatting
In casu is de verzoekende partij van haar vrijheid beroofd met het oog op haar verwijdering. Ze maakt aldus het voorwerp uit van een verwijderingsmaatregel waarvan de tenuitvoerlegging imminent is. De vordering is echter buiten de gewone beroepstermijn zoals bepaald in artikel 39/57 van de vreemdelingenwet, ingesteld. De bestreden beslissing werd op 19 november 2010 aan de verzoekende partij ter kennis gebracht. Daar de verzoekende partij zich op het ogenblik van de kennisgeving van de bestreden beslissing op een welbepaalde plaats bevond, diende het verzoekschrift overeenkomstig artikel 39/57, lid 2 (oud) van de vreemdelingenwet binnen de vijftien dagen na de kennisgeving van de bestreden beslissing te worden ingediend. Derhalve was 4 december 2010 de uiterste datum waarop een verzoekschrift tot nietigverklaring kon worden ingediend. Het verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid werd slechts ingediend op 3 februari 2011 en zodoende buiten de gewone beroepstermijn zoals bepaald in artikel 39/57 van de vreemdelingenwet. Zoals verder zal blijken onder punt 3.3., kan de door de verzoekende partij opgegeven verantwoording voor de laattijdige indiening van het verzoekschrift ook niet aanvaard worden. Het beroep is derhalve niet van rechtswege schorsend. In casu betreft het verzoekschrift een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, ingediend overeenkomstig artikel 39/82 van de vreemdelingenwet. Een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt in de vreemdelingenwet onder het annulatieberoep gecatalogeerd en valt het derhalve onder de “overige beroepen” zoals bedoeld in artikel 39/2, § 2 van de vreemdelingenwet. Daar artikel 39/82 van de vreemdelingenwet ook niets anders bepaalt, lijdt het dan ook geen twijfel dat, voor zover de verzoekende partij al anders zou willen voorhouden, ook een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid onder de algemene bepaling van artikel 39/57 van de vreemdelingenwet valt en dat zodoende de gewone beroepstermijnen erop van toepassing zijn. Deze termijnen zijn van openbare orde en dienen strikt te worden toegepast. De gewone beroepstermijn bedroeg voor de verzoekende partij in voorliggend geval 15 dagen, maar zij diende slechts bijna twee maanden na het verstrijken van deze beroepstermijn een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in. De ingediende vordering is derhalve laattijdig. De Raad zou zijn bevoegdheid overschrijden mocht hij een laattijdig ingesteld beroep toch behandelen. De verzoekende partij heeft echter steeds de mogelijkheid om aan te tonen dat haar laattijdigheid aan overmacht te wijten is. Overmacht kan enkel voortvloeien uit een gebeurtenis buiten de menselijke wil die door deze wil niet kon worden voorzien noch vermeden. Er dient op gewezen te worden dat de verzoekende partij zich beperkt tot de loutere bewering dat het voornoemd arrest M.S.S./België en Griekenland de daadwerkelijkheid van het beroep in uiterst dringende noodzakelijkheid in het licht van de duur van de beroepstermijn in vraag zou stellen en dat ook het daadwerkelijk karakter van de gewone vordering tot schorsing en van het annulatieberoep door voornoemd arrest in vraag zou worden gesteld, maar dat zij nalaat uiteen te zetten op welke manier het EHRM dit zou hebben gedaan. In zoverre een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid al binnen de vijf dagen zou moeten ingediend zijn, hetgeen nergens blijkt uit artikel 39/82 van de vreemdelingenwet, moet worden vastgesteld dat het betrokken arrest zich nergens uitspreekt over de termijn waarover een verzoekende partij zou beschikken om een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in te stellen. Het EHRM spreekt zich, wat termijnen betreft, slechts uit over het feit dat er niet voldoende tijd zat tussen de oproeping om ter terechtzitting te verschijnen en de eigenlijke terechtzitting. Over het daadwerkelijk karakter van de gewone vordering tot schorsing en van het annulatieberoep heeft het EHRM zich daarenboven in het geheel niet uitgesproken. Verder moet worden benadrukt dat de afdeling wetgeving bij de Raad van State reeds heeft gesteld dat het rechterlijk beroep dat kan worden ingesteld bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen prima facie beantwoordt aan de vereisten van daadwerkelijke rechtshulp in de zin van artikel 13 van het EVRM (Parl.St. Kamer, 2005- 2006, nr. 51 2479/001, 323) en bovendien kan worden gewezen op arrest nr. 81/2008 van 27 mei 2008 van het Grondwettelijk Hof waarin het Hof zich op meerdere plaatsen positief heeft uitgesproken over het feit of de beroepen voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als daadwerkelijk rechtsmiddel kunnen worden beschouwd. Vervolgens wordt erop gewezen dat de toegankelijkheidsvereiste vervat in artikel 13 van het EVRM niet verhindert dat er voorwaarden van procedurele aard, zoals termijnen en vormvereisten worden gesteld aan een mogelijke klacht of dat bepaalde financiële drempels worden ingebouwd, inzoverre deze voorwaarden niet onredelijk en/of arbitrair zij of een vorm van machtsafwending. De verzoekende partij voert nergens in haar verzoekschrift, noch ter terechtzitting aan dat de gewone beroepstermijn van 15 of 30 dagen onredelijk of arbitrair zou zijn of een vorm van machtsafwending zou uitmaken. Ook over andere aspecten van de gewone schorsingsprocedure of van het annulatieberoep spreekt de verzoekende partij zich in het geheel niet uit. Dienvolgens kan niet worden ingezien hoe het voornoemd arrest M.S.S./België en Griekenland het daadwerkelijk karakter van deze procedures in vraag zou hebben gesteld. Daar waar de verzoekende partij nog verwijst naar recente informatie en recent ontvangen stukken, dient te worden vastgesteld dat de verzoekende partij nalaat uiteen te zetten en dat ook niet kan worden ingezien op welke manier dit gegeven kan verantwoorden dat zij heeft nagelaten tijdens de gewone beroepstermijn van van 15 dagen indienen van haar verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. De ingediende vordering is dan ook niet ontvankelijk.