Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 57.220 - 2-03-2011

Samenvatting

De algemene veiligheidssituatie in Tsjetsjenië is de laatste jaren gewijzigd. Uit de documentatie van het CGVS blijkt dat er momenteel geen vermoeden meer is dat elke Tsjetsjeen hoeft te vrezen voor vervolging enkel en alleen omwille van zijn nationale afkomst, zoals dat het geval was in de jaren na het Russische offensief in 1999. Hoewel de vervolging nu meer gericht lijkt te zijn op bepaalde risico-groepen, blijkt duidelijk uit het administratief dossier dat de mensenrechten nog steeds op grote schaal geschonden worden in Tsjetsjenië en dat de straffeloosheid een probleem blijft. Het is waarschijnlijk dat die blijvende straffeloosheid en angst voor represailles tot gevolg heeft dat slachtoffers van mensenrechtenschendingen ontmoedigd raken om aangifte te doen bij de autoriteiten of NGO’s, hetgeen minstens gedeeltelijk, een verkeerd beeld kan geven van de algemene situatie die daar heerst. Bijgevolg kan men er vanuit gaan dat er, in het algemeen, nog steeds een verhoogd risico op vervolging bestaat voor inwoners van Tsjetsjenië. Dit objectief en contextueel gegeven moet meegenomen worden in het onderzoek naar de gegrondheid van de vrees. In casu kan verzoeker ondergebracht worden in een geïdentificeerde risico-groep, namelijk personen die hulp verlenen aan rebellen. Met betrekking tot de vermeende ongeloofwaardigheid van het asielrelaas, is de Raad van oordeel dat het CGVS in zijn onderzoek naar de gegrondheid van de vrees, onvoldoende rekening gehouden heeft met de contextuele gegevens en in het bijzonder, mochten de feiten echt blijken te zijn, met het feit dat de verzoeker behoort tot een risico-groep. De tegenstrijdigheden in het asielrelaas van de verzoeker en zijn echtgenote kunnen te wijten zijn aan communicatie – en psychische problemen. Hoewel de Raad niet kan ontkennen dat er twijfel bestaat omtrent de beweerde feiten, dwingt de ernst van de situatie in Tsjetsjenië tot voorzichtigheid in het onderzoek van de aanvraag. Diezelfde voorzichtigheid vereist dat aan verzoeker het voordeel van de twijfel gegund wordt.