Samenvatting
Gelet op de bespreking hoger waaruit blijkt dat de wetgever duidelijk aangegeven heeft dat “een identiteitsdocument, zijnde een paspoort of een daarmee gelijkgestelde reistitel onontbeerlijk is” toont verzoeker met zijn betoog niet aan dat de beoordeling van de gemachtigde van de staatssecretaris van de door hem overgemaakte attesten niet correct is of dat de gemachtigde van de staatssecretaris op grond daarvan op een kennelijk onredelijke wijze besloot dat verzoekers aanvraag om verblijfsmachtiging onontvankelijk is. Uitgaande van de hypothese dat er toch een strafonderzoek lopende zou zijn, wijst de Raad erop dat het beginsel “le criminel tient le civil en état” van toepassing is indien omtrent dezelfde feiten een burgerlijke vordering voor de burgerlijke rechter volgens de regels van het privaatrechtelijk procesrecht wordt ingesteld, of wanneer deze burgerlijke vordering samen met de strafvordering voor het strafgerecht wordt ingesteld. De beslissing die getroffen werd door de Dienst Vreemdelingenzaken betreft een administratieve beslissing die geen uitstaans heeft met een procedure voor een burgerlijke rechter en de procedure bij de Raad kan evenmin vergeleken worden met een procedure voor een burgerlijke rechter. In deze dient dus de uitkomst van de strafrechtelijke procedure niet afgewacht te worden. Op grond van voormelde gegevens en ongeacht het feit dat het strafonderzoek tegen verzoeker nog lopende is, kon verweerder in alle redelijkheid oordelen dat de aanvraag om machtiging tot verblijf onontvankelijk is. Verzoeker betoogt dat verwerende partij uitgaat van een te strikte interpretatie van een “identiteitsdocument” en stelt dat de interpretatie van de verwerende partij om verschillende reden af te keuren is. Waar verzoeker verwijst naar het “het antwoord van de Minister op een Parlem. vraag van T. Van Der Straten”, benadrukt de Raad dat beleidsopties en regeringsverklaringen geen afbreuk kunnen doen aan de uitdrukkelijke wetsbepaling van artikel 9bis van