Samenvatting
De nood aan bescherming voorzien in artikels 48/3 en 48/4 Vw. moet getoetst worden ten aanzien van het land of de landen van de nationaliteit van de verzoekende partij of, voor staatlozen, ten aanzien van de vroegere gewone verblijfplaats. Deze vereiste volgt uit de noodzaak om te beoordelen indien de verzoekende partij de bescherming van dit land niet kan inroepen of indien zij geldige redenen aanvoert om te weigeren er zich op te beroepen. Dat de verzoekende partij in een ‘veilig derde land’ dan wel in een ‘eerste land van asiel’ heeft verbleven of beschikt over een ‘reëel vestigingsalternatief’ doet aan het voorgaande geen afbreuk. Deze begrippen vinden geen grondslag in de interne regelgeving. Indien de verzoekende partij in een ander land erkend werd als vluchteling, kan zij geen rechtstreeks belang doen gelden om deze status in België toegekend te zien, tenzij zij ten aanzien van dat ander land vluchtelingenrechtelijke vrees of een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 48/4 Vw. kan doen gelden. Indien in een andere lidstaat de subsidiaire beschermingsstatus werd toegekend heeft de verzoekende partij geen rechtstreeks belang om deze status in België toegekend te zien, tenzij zij ten aanzien van die andere lidstaat vluchtelingenrechtelijke vrees of een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 48/4 Vw. kan doen gelden. Er wordt niet betwist dat de verzoeker de Russische nationaliteit bezit en van Tsjetsjeense origine is. Noch uit het dossier noch uit de bestreden beslissing blijkt dat de commissaris-generaal de gegrondheid van de aanvraag heeft onderzocht ten aanzien van Rusland. Dat de verzoeker de subsidiaire bescherming geniet in Polen doet geen afbreuk aan de vaststelling dat de nood aan bescherming geboden door artikel 48/3 Vw. moet getoetst worden ten aanzien van het land van nationaliteit van verzoeker, nl. de Russische Federatie. Dit onderzoek is hier niet gebeurd. In het door de commissaris-generaal overgelegde administratief dossier is ook geen informatie voorhanden over de Russische Federatie. De Raad heeft niet de mogelijkheid, middels de devolutieve werking van het beroep, om de nood aan bescherming zoals voorzien in artikel 48/3 Vw. te beoordelen. De wezenlijke elementen ontbreken om te komen tot de in artikel 39/2, § 1, tweede lid, 1° Vw. bedoelde bevestiging of hervorming zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen te moeten bevelen. De beslissing wordt in overeenstemming met artikel 39/2, § 1, tweede lid, 2° Vw. vernietigd en de zaak wordt teruggezonden naar het CGVS.