Samenvatting
Uit art. 52/3, § 1 Vw. volgt dat als aan een vreemdeling het statuut van vluchteling of subsidiaire bescherming geweigerd wordt en hij onregelmatig in het land verblijft, de minister of zijn gemachtigde beslist dat betrokkene valt onder art. 7, eerste lid, , 1° tot 11° of artikel 27, § 1, eerste lid, § 3 Vw. Als voldaan is aan de twee voorwaarden die de wet stelt, beschikt de minister of diens gemachtigde over geen enkele appreciatiebevoegdheid. De minister of diens gemachtigde moet dus in eerste instantie nagaan of voldaan is aan de twee voorwaarden. Als het statuut van vluchteling of subsidiaire bescherming is geweigerd en de vreemdeling is in onregelmatig verblijf, dan moet de minister of diens gemachtigde besluiten dat de betrokkene valt onder art. 7, eerste lid, , 1° tot 11° of artikel 27, § 1, eerste lid, § 3 Vw. Het feit dat de vreemdeling zich in een situatie bevindt beschreven in art. 7, eerste lid, , 1° tot 11° Vw. betekent niet dat de minister is gehouden tot het afleveren van een bevel om het grondgebied te verlaten. De minister of diens gemachtigde moet de woorden van art. 7 Vw. in ogenschouw nemen. Uit het gebruik van het woord ‘kan’ volgt dat als een vreemdeling zich in een situatie bevindt die wordt beschreven in art. 7, eerste lid, , 1° tot 11° Vw. en niet toegelaten is tot een verblijf van meer dan 3 maanden of om er zich te vestigen, de minister of diens gemachtigde niet verplicht zijn om een bevel om het grondgebied te verlaten af te leveren vóór een bepaalde datum. Hij beschikt hier over een appreciatiebevoegdheid. De verwijzing in de bestreden beslissing naar art. 75, § 2 Vb. ondermijnt deze redenering niet. Dit artikel verwijst door naar art. 52/3, § 1 Vw. Als de minister of diens gemachtigde vaststellen dat de twee voorwaarden voldaan zijn, besluit hij dat de vreemdeling onder een van de situaties van art. 7, eerste lid, 1° tot 11° Vw. valt. Art. 7 Vw. omvat geen verplichting om een bevel om het grondgebied te verlaten af te leveren. Art. 75, § 2 Vb. kan hier als lagere rechtsnorm geen gebonden karakter toekennen aan de bevoegdheid omschreven in art. 7 Vw. De exceptie van onontvankelijkheid wegens gebrek aan belang omdat de verwerende partij bij het geven van een bevel om het grondgebied te verlaten in het kader van art. 52/3, § 1 Vw. zou beschikken over een gebonden bevoegdheid, wordt verworpen. De debatten worden heropend en de zaak wordt verwezen naar de algemene rol.