Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 72.792 - 6-01-2012

Samenvatting

De Raad merkt op dat verzoeker onder meer aanvoert dat hij in zijn aanvraag om tot een verblijf gemachtigd te worden heeft uiteengezet waarom hij van oordeel was dat zijn correctionele veroordeling geen beletsel vormde om hem een verblijfsmachtiging toe te staan en waarom hij geen actueel gevaar meer vormde voor de openbare orde en dat verweerder deze argumentatie niet heeft beantwoord. Deze stelling vindt steun in de aan de Raad voorgelegde stukken.Verweerder werpt op dat het feit dat verzoeker geen gevaar meer zou vormen voor de openbare orde niet dienstig is, aangezien hij hoe dan ook onderworpen is aan een ministerieel besluit tot terugwijzing.
Het is evenwel niet betwist dat verweerder – gelet op artikel 26 van de Vreemdelingenwet – de mogelijkheid heeft om het aan verzoeker betekende besluit tot terugwijzing in te trekken of op te schor-ten en eventueel een verblijfsmachtiging toe te staan, indien verzoeker voldoende bewijzen aanbrengt die wijzen op een reclassering en op voldoende nauwe banden met België. In deze omstandigheden kan verweerder niet gevolgd worden in zijn stelling dat de door verzoeker aangebrachte gegevens niet dienstig zijn en dat er een wettelijk beletsel zou zijn om de aanvraag van verzoeker te behandelen. Er moet daarnaast vastgesteld worden dat verweerder een eerdere aanvraag van verzoeker om tot een verblijf gemachtigd te worden wel behandeld en zelfs ten gronde onderzocht heeft, zodat het derhalve in voorliggende zaak kennelijk onredelijk is om te stellen dat het loutere feit dat aan verzoeker een ministerieel besluit tot terugwijzing werd betekend tot gevolg zou hebben dat zijn tweede aanvraag om tot een verblijf gemachtigd te worden “niet kan behandeld worden” en “zonder voorwerp” zou zijn. De bestreden beslissing is genomen zonder rekening te houden met alle nuttige gegevens en op kennelijk onredelijke wijze. Verzoeker voert terecht aan dat verweerder de materiële motiveringsplicht heeft geschonden.