Samenvatting
De advocaat van de verzoeker heeft DVZ erop gewezen dat de verzoeker niet kan worden teruggestuurd naar Italië gezien de moeilijkheden die dat land ondervindt. Hij heeft hierbij gewezen naar een schorsingsarrest van de RvV waarbij deze situatie werd erkend. Toen oordeelde de RvV dat een terugwijzing van een asielzoeker naar Italië in deze omstandigheden een schending zou kunnen uitmaken van artikel 3 EVRM. In de bestreden beslissing wordt hieromtrent gemotiveerd dat het gegegeven dat Italië momenteel het voorwerp is van een uitzonderlijk immense toestroom van asielzoekers en economische migranten door de politieke gebeurtenissen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten niet automatisch betekent dat de betrokkene blootgesteld zal worden aan een onmenselijke of vernederende behandeling en/of dat diens asielaanvraag niet met de nodige aandacht en objectiviteit zal worden behandeld. Dus blijkt dat de verwerende partij wel degelijk rekening heeft gehouden met de argumenten die de verzoeker aangebracht heeft over de uitzonderlijjke immense toestroom van asielzoekers en economische migranten in Italië. Doch, de verwerende partij heeft geoordeeld dat er in casu geen sprake is van een schending van artikel 3 EVRM. Verzoeker is het niet eens met de korte motivering die hierover in de bestreden beslissing is terug te vinden. Hij stelt dat de verwerende partij de actuele situatie in Italië miskent en hierdoor een manifeste beoordelingsfout heeft gemaakt. Verzoeker’s betoog komt eigenlijk neer op een schending van de materiële motiveringsplicht. De Raad kan zich niet in de plaats stellen van het bestuur met betrekking tot de beoordeling van de feiten. De Raad kan wel de kennelijke onredelijkheid van een beslissing sanctioneren. Het korte antwoord in de bestreden beslissing als antwoord op de uitvoerig naar voren gebrachte argumentatie van de verzoeker (door verwijzing naar het schorsingsarrest van de Raad en de daarin opgenomen rapporten en argumenten) is niet afdoende. Algemene rapporten op zich volstaan niet om aan te nemen dat er een schending is van artikel 3. EVRM. In dit geval houden deze wel een indicatie in van de problemen waarmee Italië momenteel geconfronteerd wordt. In deze rapporten wordt duidelijk een aanwijzing gegeven dat het terugzenden van asielzoekers naar Italië op heden wel een schending van artikel 3 EVRM kan inhouden. De verwerende partij kan zich dus niet beperken tot de eenvoudige vaststelling dat dit niet aantoont dat de overname van verzoeker door Italië automatisch zal leiden tot een schending van artikel 3 EVRM.In dit geval moet de verwerende partij weergeven waarom zij van oordeel is dat de situatie van de verzoeker niet vergelijkbaar is met deze van de asielzoeker die geciteerd wordt in de rapporten en aanbevelingen. Een schending van de materiële motiveringsplicht is aangetoond. De bestreden beslissing wordt vernietigd.