Samenvatting
De RvV kon op wettige wijze het middel dat ertoe strekte aan te tonen dat het bestuur zijn huwelijk ten onrechte niet als rechtsgeldig beschouwd had en dat de RvV uitnodigde om zich over de voorgehouden schending van een burgerlijk recht uit te spreken, niet-ontvankelijk verklaren. Bovendien geeft het bestreden arrest duidelijk aan waarom het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het middel een burgerlijk recht is. De RvV maakt het onderscheid tussen enerzijds “de mate dat het werkelijk en rechtstreekse voorwerp van wat kan beschouwd worden als het tweede onderdeel van het middel inhoudt dat de Raad gevraagd wordt na te gaan of de gemachtigde van de staatssecretaris voor Migratie- en asielbeleid, bij de beoordeling van de visumaanvraag, op basis van de beschikbare feiten terecht heeft geoordeeld dat het huwelijk van verzoeker met een Belgische vrouw in strijd is met de bepalingen van het artikel 146bis van het BW”, hetzij een vraag over het bestaan en de draagwijdte van een burgerlijk recht en anderzijds “de mate dat het werkelijk en rechtstreekse voorwerp van het middel betrekking heeft op de bevoegdheid van de gemachtigde van de staatssecretaris voor Migratie- en asielbeleid om zich te beroepen op artikel 146bis van het Burgerlijk Wetboek”. Het middel is ongegrond. Artikel 149 Gw. stelt dat “elk vonnis (…) met redenen (is) omkleed”. Artikel 39/65 Vw. bepaalt dat de beslissingen van de RvV met redenen omkleed worden. Volgens de verzoeker heeft de RvV geweigerd om na te gaan of het voorzorgsbeginsel in de aanvankelijk bestreden beslissing werd nageleefd en zou hij dus de motiveringsplicht geschonden hebben. Het bestreden arrest stelt dat “het feit dat niet alle inlichtingen waarover verweerder beschikte in de bestreden beslissing worden besproken (…) ook niet toe(laat) te besluiten dat het bestuur geen rekening heeft gehouden met deze gegevens” en dat de zorgvuldigheidsplicht (…) ook niet in(houdt) dat een bestuur gegevens die het, gelet op de reeds beschikbare inlichtingen, niet dienstig achtte diende op te vragen”. De verzoeker verwijst in het middel enkel naar ‘sommige stukken’ en ‘sommige pertinente elementen’, zonder aan te tonen dat het bestreden arrest bepaalde concrete stukken of elementen ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten bij de beoordeling van de vraag of de zorgvuldigheidsplicht met de aanvankelijk bestreden beslissing werd geschonden. Hij maakt niet aannemelijk dat de motiveringsplicht als vormvereiste voor jurisdictionele beslissingen werd geschonden. Het tweede middel is ongegrond. Het beroep wordt verworpen.