Raad van State - 216.972 - 21-12-2011

Samenvatting

Artikel 62 Vw. is als dusdanig niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen maar in het licht van het cassatiemiddel wordt onderzocht of de aangehaalde bepalingen in het bestreden arrest zijn geschonden door te stellen dat de aanvankelijk bestreden beslissingen aan die bepalingen zouden hebben voldaan terwijl dit niet het geval zou zijn geweest. Het betreden arrest toetst de aanvankelijk bestreden beslissingen niet aan artikel 62 Vw. of aan de Wet Motivering Bestuurshandelingen zodat een eventuele foutieve toepassing niet aan de orde is. Het middel is in die mate onontvankelijk. De eventuele vernietiging van uitvoerbaar en definitief geworden bevelen om het grondgebied te verlaten die tot het bestreden arrest hebben geleid, kon de rechtstoestand van de verzoekers niet wijzigen. Het bestreden arrest besloot op wettige wijze dat de gevorderde vernietiging geen nuttig effect kon sorteren, zodat het beroep tot nietigverklaring onontvankelijk was bij gebrek aan belang. De kritiek dat de latere bevelen, die tot het bestreden arrest hebben geleid, niet mochten worden gegeven vooraleer een beslissing over een aanvraag tot medische regularisatie op basis van artikel 9ter Vw. was genomen en ter kennis gebracht doet hieraan geen afbreuk. Het vertrouwensbeginsel, zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel zijn als algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen. Schending daarvan kan niet tegen het bestreden arrest worden opgeworpen. Het bestaan van bevelen om het grondgebied te verlaten zorgt niet voor een gebrek aan belang bij een beroep tot nietigverklaring tegen de negatieve beslissing over hun medische regularisatieaanvraag. De RvS vermag geen appreciatie ten gronde of feitenbeoordeling doen betrekking tot een voorgehouden schending van artikel 3 EVRM. Anders dan voorgehouden is artikel 3 EVRM bovendien niet van openbare orde. Het bestreden arrest maakt geen beoordeling ten gronde van de medische toestand van de verzoekster en van de toestand in A. Er wordt aangegeven wat de verzoekers aanvoeren en besloten dat geen schending van artikel 3 EVRM aangetoond is. De RvV deed geen uitspraak met volle rechtsmacht en schond artikel 39/2, § 2 Vw. niet. Het middel is ongegrond. Het beroep wordt verworpen.