Raad van State - 215.577 - 5-11-2011

Samenvatting

Een manifeste appreciatiefout van de weerhouden feiten kan slechts gecensureerd worden door middel van de schending van de wettelijke bepaling die de rechtbank heeft toegepast. Het middel is onontvankelijk voor zover het niet aangeeft welke paragraaf van artikel 74/8 Vw. er geschonden zou zijn. De beroepstermijn van 15 dagen voorzien in artikel 39/57, § 1, tweede lid Vw. is alleen van toepassing op de vreemdeling in administratieve detentie, vastgehouden op een bepaalde locatie of ter beschikking gesteld van de regering met het oog op verwijdering. Deze termijn is niet van toepassing op de vreemdeling die vastgehouden wordt omwille van andere redenen, bijvoorbeeld naar aanleiding van een strafrechtelijke veroordeling. Niet elke vrijheidsberovende maatregel brengt een vermindering van de beroepstermijn tot 15 dagen met zich mee. Het middel nodigt de Raad van State uit om de grond van de feiten van de zaak te overwegen. De betrokkene zou op het moment van de kennisgeving van de oorspronkelijke beslissing zowel omwille van zijn strafrechtelijke veroordeling als met het oog op verwijdering opgesloten zijn in een strafinrichting. Het middel is erop gericht om een nieuwe appreciatie van de feiten aan te dragen die al soeverein zijn geapprecieerd door het bestreden arrest. Hiervoor is de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd. Bij gebreke aan het inroepen van schending van de bewijskracht en de wettelijke bepalingen die eraan gewijd zijn, kan men overigens om de vaststellingen van de administratieve rechter, dat de betrokkene niet in administratieve detentie was, opnieuw in vraag te stellen, geen steun vinden in de bewoordingen van het beroep voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, welke erop gericht zouden zijn aan te tonen dat de detentie wel is gebeurd met het oog op de verwijdering. In dit opzicht is het middel niet gegrond. Het cassatieberoep wordt verworpen