Samenvatting
De verwerende partijen riepen in hun verzoekschrift tot nietigverklaring voor de RvV schending in van de motiveringsplicht zoals die voorvloeit uit artikel 62 Vw. en artikelen 1 tem 3 Wet Motivering Bestuurshandelingen, artikel 202 BW, de plicht tot beperkende interpretatie van het beginsel van de openbare orde en ook van de manifest verkeerde beoordeling van het erga-omnes-karakter van de nietigverklaring van het huwelijk en van artikel 8 EVRM aldan niet in samenhang met artikel 14 EVRM. Zij stellen dat de bevelen om het grondgebied te verlaten artikel 8 EVRM schenden “om reden dat eerste verzoeker, maar ook tweede verzoeker zich gedurende als die tijd in België hebben kunnen settelen”. Artikel 8 EVRM zou het recht inhouden voor een kind dat zich met zijn ouder heeft vervoegd, om zich te hereniging met zijn of haar ouders ongeacht hun huwelijkssituatie. De verzoekende partij, oorspronkelijk verwerende partij, antwoordt dat “verzoekers niet aantonen dat dit verdragsartikel in casu geschonden wordt door de thans bestreden bevelen” en dat “de niet noodzakelijke verwijdering van het grondgebied van verzoekers geen verboden inmenging (vormt) van hun recht op privé- en gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM. Het middel dat de RvV gegrond bevindt, steunt echter niet op de gezinssituatie zonder meer. Maar het steunt op de omstandigheid dat twee afzonderlijke bevelen om het grond te verlaten werden gegeven. Eén werd gegeven aan verweerster en haar kinderen en een ander aan haar echtgenoot. De verwerende partijen, oorspronkelijk verzoekende partijen, voerden dit middel zo niet aan in hun inleidend verzoekschrift. Ook uit de nota met opmerkingen blijkt niet dat de verzoekende partij, oorspronkelijk verwerende partij, het middel op die wijze heeft begrepen. De rechter gaf hier ambtshalve een nieuwe feitelijke grondslag aan het middel. Hij heeft dus een nieuw middel opgeworpen. De rechter in vreemdelingenzaken heeft hierdoor zijn annulatiebevoegdheid, zoals bepaald in artikel 39/2, § 2 Vw., overschreden.