Samenvatting
De verzoeker zette voor de RvV het volgende uiteen. Hij bezorgde met een brief van 16 augustus 2010 een aantal opmerkingen aan de Staatssecretaris voor Migratie- en Asielbeleid. Deze antwoordde met een brief van 24 augustus 2010 dat de behandeling van het dossier toch wel een zekere tijd in beslag zou nemen en dat hij het dossier aan de administratie zou overmaken. Niettemin ondertekende de Koning het bestreden KB tot uitzetting al op 26 augustus 2010. In zijn middel wees de verzoeker erop dat er nauwelijks één volle werkdag was verstreken tussen de brief van de Staatssecretaris en de ondertekening van het KB. Uit dit korte tijdsverloop leidde de verzoeker een schending van de zorgvuldigheidsplicht af. De RvV stelt in het bestreden arrest in antwoord op deze kritiek dat de verzoeker de mogelijkheid had de in de brief van 16 augustus 2010 vermelde elementen aan te brengen voor de Commissie van Advies voor vreemdelingen en dat deze brief op 23 september 2010 werd beantwoord met de mededeling dat op 21 september 2010 een KB tot terugwijzing (sic) aan de verzoeker werd betekend, waarbij met de aangehaalde elementen werd rekening gehouden. Met die motivering antwoordt de RvV niet op de kritiek op het korte tijdsverloop van amper één dag. De verwijzing naar de brief van 23 september is niet dienstig. Deze dateert van na het aanvankelijk bestreden KB en kan dan ook geen deel uitmaken van de motivering van dat besluit. Bovendien wordt in de brief gesteld dat in het KB met die elementen uit de brief van 16 augustus is rekening gehouden. In het KB zelf wordt die brief echter afgedaan met de opmerking dat de verzoeker zijn opmerkingen eerder had kunnen maken. De formele motiveringsplicht vastgelegd in artikel 149 Gw. is geschonden.