Raad van State - 218.656 - 27-03-2012

Samenvatting

De motiveringsplicht voor jurisdictionele beslissingen vereist niet dat de door de partij overgelegde stukken uitdrukkelijk in het vonnis of arrest worden vermeld. Uit de motieven moet wel blijken waarom het standpunt van de verzoeker met betrekking tot de inhouden van die stukken niet is gevolgd. Uit deze stukken bleek geen effectieve gerechtelijke vervolging wegens de seksuele geaardheid. De stukken werden ook niet nader toegelicht. Dat het Pakistaans F.I.R. (First information Report) ter terechtzitting werd neergelegd klopt niet. De verzoeker had dit stuk enkele dagen voordien met de post opgestuurd. Het is echter duidelijk dat de overweging op het opgestuurde stuk betrekking heeft. De overweging maakt deel uit van het motief dat de verzoeker niet aantoont dat zijn seksuele voorkeur tot een gerechtelijke vervolging zou leiden. Het stuk werd dus wel degelijk in aanmerking genomen om te stellen dat er in het algemeen geen vervolgingen wegens homoseksuele relaties bekend zijn en dat de verzoeker niet aantoont dat het in zijn geval anders zou zijn. Volgens de “legal opinion’ van de Pakistaanse advocaat zal de verzoeker bij een terugkeer vervolgd worden op basis van art. 377 Pakistaans Strafwetboek. Het bestreden arrest verwerpt deze stelling impliciet doch zeker. Het overweegt dat volgens de objectieve informatie uit het administratief dossier geen vervolgingen op grond van artikel 377 Pakistaans Strafwetboek bekend zijn en dat dit ook niet uit de neergelegde documenten blijkt.