Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 76.471 - 17-02-2012

Samenvatting

De verzoekende partij is van haar vrijheid beroofd met het oog op haar verwijdering. Ze maakt dus het voorwerp uit van een verwijderingsmaatregel waarvan de tenuitvoerlegging imminent is. Een repatriëring was voorzien op 20 februari 2012. De vordering is prima facie tijdig ingesteld. Het beroep is derhalve van rechtswege schorsend. De gewone schorsing van de tenuitvoerlegging zal te laat komen en niet effectief zijn. Aan de voorwaarde van dringende noodzakelijkheid is voldaan. De verzoekende partij verwijst voor het eerst in haar verzoekschrift in het algemeen naar de problemen in Italië. Verzoeker ontkent dat zij in Italië asiel heeft aangevraagd. Zij verklaarde dat haar vingerafdrukken waren genomen op weg naar Griekenland en dat zij tien tot twaalf dagen in Italië verbleef. Daarna zou zij per trein via Frankrijk naar België zijn gereisd. Op 8 december 2012 diende zij een asielaanvraag in. De verklaringen zijn niet aannemelijk. Het Eurodacverslag toont het tegendeel aan. Er zijn ook geen gegevens of aanwijzingen dat de overheid bij het nemen van zijn beslissing op de hoogte was of moest zijn van de aangevoerde problematiek van de Italiaanse autoriteiten. Het motief 351 van het “arrest MSS” stelt dat niet alle bewijslast voor een mogelijke schending van artikel 3 EVRM bij de verzoekende partij ligt. Maar, in casu heeft de verzoekende partij niet de minste aanwijzing gegeven ten aanzien van haar bezwaren of klachten die bestaan over opvang, verblijf en behandeling van haar asielaanvraag in Italië. Verzoeker gaf onaannemelijke verklaringen. De verzoekende partij kon naast het Dublin-onderzoek ook nog bijkomende opmerkingen schriftelijk overmaken als zij meende dat dit onderzoek gebrekkig was. Er was tussen het verhoor en de bestreden beslissing ruim de tijd om opmerkingen over te maken. Het rechtshulpsysteem laat verder ook toe dat de verzoekende partij onmiddellijk beroep kan doen op bijstand door een advocaat. De verwerende partij onderzocht het mogelijk bestaan van een schending van artikel 3 EVRM bij een overdracht aan Italië. Ze verwijst hierbij naar recente rapporten over Italië. De verzoekende partij suggereert dat het hele opvangsysteem in Italië tekortschiet. Zij verwijst hierbij naar gedeeltes uit citaten van haar stuk 4. De RvV hecht meer bewijswaarde aan de meest recente rapporten, zoals “OSAR, Asylum procedure and reception conditions in Italy, may 2011” en “NOAS, the Italian approach to asylum: Systems and core problems, April 2011”. Informatie uit 2008 acht de Raad achterhaald. Uit deze rapporten is duidelijk dat er wel degelijk opvangmogelijkheden zijn in Italië. Weliswaar zijn er zekere problemen met asielzoekers die niet goed geïnformeerd zijn. Dat is hier niet het geval nu de raadsman het verslag kent dat de verschillende organisaties vermeldt waartoe de verzoekende partij zich kan richten. Om een nog meer gedetailleerde analyse te doen is het onontbeerlijk dat de verzoekende partij alle concrete gegevens over haar asielprocedure bijbrengt en dat zij het minstens verhaalt als zij van de verwerende partij verwacht dat haar onderzoek nog diepgaander zou zijn. Ook op de verzoekende partij ligt een deel van de bewijslast. Van haar mag verwacht worden dat zij de waarheid spreekt en op gedetailleerde wijze concrete gegevens bijbrengt over de plaatsen waar zij geweest is in Italië en in welk stadium haar asielprocedure is. De redenering van de verzoekende partij die eenzijdig de bewijslast bij de verwerende partij of bij de Raad legt, wordt niet gevolgd. Dat er nog geen formeel akkoord is van de Italiaanse autoriteiten over terugname, doet aan het voorgaande geen afbreuk. Het motief dat niet aangetoond wordt dat er geen medische verzorging bestaat in Italië voor de aangehaalde medische problemen, te weten last hebben van ademhaling, hoofdpijn en rugpijn, is kennelijk redelijk. De klachten zijn immers vaag en er is geen enkel medisch attest voorhanden ter staving, ook niet in de huidige procedure. Uit het rapport van NOAS blijkt bovendien tijdens de asielprocedure in Italië verzoekende partij recht heeft op gratis gezondheidszorg.