Raad van State - 218.238 - 29-02-2012

Samenvatting

De verwerende partij kan tijdens de eerste twee jaar een einde stellen aan het verblijf van het familielid van een burger van de Unie die zelf geen burger van de Unie is op basis van artikel 42quater, § 1, 4° Vw. Dit kan wanneer het geregistreerd partnerschap, zoals bedoeld in artikel 40bis, §2, eerste lid, 1° of 2° Vw. wordt beëindigd. Hetzelfde artikel 42quater Vw. stelt dat de bepaling niet van toepassing is indien het geregistreerde partnerschap ten minste drie jaar geduurd heeft, waarvan ten minste één jaar in het Rijk. Het begrip “geregistreerd partnerschap” in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 2° Vw. betekent “een relatie van samenleven tussen personen van een verschillende of van hetzelfde geslacht die in toepassing van de Belgische wet of een buitenlandse wet formeel werd geregistreerd door een overheid. In ons land gaat het om de wettelijke samenwoning voorzien in de artikelen 1475 tot 1479 BW.” De wet voorziet nergens een vorm van onderbreking of schorsing van de wettelijke samenwoning. Wie zich na een beëindiging ervan opnieuw in een toestand van wettelijke samenwoning wil bevinden, moet een nieuwe verklaring van wettelijke samenwoning afleggen, ook al is het met dezelfde partner als voorheen. Het gaat om een nieuwe toestand en niet om het herleven van de oude wettelijke samenwoning. Het partnerschap uit artikel 42quater, § 4, 1° Vw. heeft betrekking op het op dat ogenblik bestaande partnerschap. De betrokkene kan zich niet beroepen op een eerder afgelegde verklaring van wettelijke samenwoning die al werd beëindigd. Die wettelijke samenwoning bestaat immers niet meer en kan dus ook niet verdergezet of hernomen worden. Het gebruik van de woorden “duurzame en stabiele relatie” in artikel 40bis Vw. wijst er niet op dat een eerdere en beëindigde wettelijke samenwoning in aanmerking moet worden genomen, ook al werd nadien een nieuwe verklaring van wettelijke samenwoning afgelegd.