Raad van State - 217.599 - 31-01-2012

Samenvatting

In het bestreden arrest wordt gewezen op het onderscheid in behandeling tussen de vreemdeling die zijn aanvraag voor 16 december 2009 heeft ingediend en de vreemdeling die zijn aanvraag voor die datum heeft ingediend. Dit onderscheid zou relevant zijn wat betreft de toepassing van de criteria in de instructie van 19 juli 2009 om aanvragen ontvankelijk te verklaren. De instructie van 19 juli 2009 werd door de Raad van State vernietigd en kan geen grond vormen om aanvragen niet-ontvankelijk te verklaren. Er mogen geen andere ontvankelijkheidscriteria worden toegepast enkel naargelang die aanvragen tijdens of na de in de instructie vooropgestelde termijn zijn ingediend. Op zichzelf is die stelling niet onwettig. De eerste rechter gaat er echter aan voorbij dat de ontvankelijkheid wel degelijk aan de ‘buitengewone omstandigheden’ uit artikel 9bis Vw. werd getoetst. In de aanvankelijk bestreden beslissing wordt gesteld dat de aangehaalde elementen geen buitengewone omstandigheid vormen waarom de betrokkene de machtiging tot verblijf niet kan indienen via de gewone procedure, nl. via de diplomatieke of consulaire post in het buitenland. De beslissing stelt dat de het feit dat de betrokkene sinds maart 1999 in België verblijft, geïntegreerd zou zijn, een Franse taalcursus heeft gevolgd en zicht heeft op werk, niet verantwoordt dat hij de aanvraag in België indient. Verder stelt de beslissing dat de elementen betreffende integratie wel voorwerp van een eventueel onderzoek (ten gronde) met toepassing van artikel 9, tweede lid Vw. kunnen uitmaken. Over de asielprocedure stelt de aanvankelijk bestreden beslissing dat de betrokkene wist dat zijn verblijf precair was, dat zij asielprocedure werd afgesloten met een negatieve beslissing, dat de betrokkene geen gevolg gaf aan het bevel om het grondgebied te verlaten en dat de duur van de procedure van 1 jaar en 9 maanden ook niet onredelijk lang was. Het legale verblijf van de broer is volgens de staatssecretaris ook geen buitengewone omstandigheid. Een aanvraag vanuit het buitenland impliceert immers maar een tijdelijke scheiding en houdt geen ernstig of moeilijk te herstellen ernstig nadeel in. De eerste rechter heeft zich beperkt tot het overtollige motief met betrekking tot het ogenblik waarop de aanvraag is ingediend en de toetsing daarvan aan de vernietigde instructie van 19 juli 2009. Door het gelijkheidsbeginsel toe te passen op een overtollig motief en door geen rekening te houden met de beoordeling van de als buitengewone omstandigheden aangehaalde elementen, zijn zowel het gelijkheidsbeginsel als artikel 9bis Vw. geschonden.